Hoofdstuk 1: De Bibliotheek van Spelletjes
Timo was zes jaar oud en had een glimlach zo groot als een watermeloen. Hij woonde vlakbij de grootste, mafste en kleurrijkste bieb van de stad: de Bibliotheek van Spelletjes. Hier stond geen enkel boek, maar rijen en rijen vol dozen, dobbelstenen, blokjes, kaarten, puzzels en zelfs een springmat die piepte als je erover liep.
Iedereen kende Timo. Hij was dol op uitdagingen, vooral de gekste en moeilijkste die niemand durfde te proberen. Timo liep die ochtend op zijn sokken naar binnen, want in de spelletjesbieb hoefde niemand schoenen te dragen. Zijn haar zat nog een beetje wild van het slapen, maar dat maakte hem juist extra dapper.
Achterin de bibliotheek hing een groot bord: “Vandaag: Het Onmogelijke Uitdagingencircuit!” In felle letters stond daaronder geschreven: “Probeer drie uitdagingen die écht, écht onmogelijk zijn! Of… toch niet?”
Timo sprong van vreugde. “Ik doe mee!” riep hij. Juf Noor, de grappige spellenbiebjuf met een reusachtige bril op haar neus, trok een wenkbrauw op. “Durf jij het écht aan, Timo? Ze zijn zó vreemd, zó lastig, dat zelfs ik het niet durf!”
Timo knikte. “Kom maar op!”
Hoofdstuk 2: Het Onmogelijke Broodjesspel
De eerste uitdaging wachtte hem op bij een tafel vol met speelgoedbroodjes. “Je moet een toren bouwen van tien broodjes, maar…met één hand achter je rug!” lacht juf Noor.
Timo keek naar de broodjes. Sommige waren glad, andere waren harig (ja, echt! Ze hadden er wol omheen gewikkeld), en eentje maakte zelfs knorrende geluidjes als je hem oppakte! De tafel wiebelde een beetje, alsof hij zelf zenuwachtig was.
“Dat is makkelijk!” lachte Max, die stond te kijken. Maar zodra Timo een broodje op het volgende wilde zetten, rolde het hele stapeltje om.
Timo krabde op zijn hoofd. Toen kreeg hij een idee. “Wat als… ik ze niet stapel, maar aan elkaar plak met boter?” riep hij. Juf Noor gniffelde: “We hebben geen echte boter, alleen boterkaarten!”
Timo pakte snel de boterkaart, legde die tussen de broodjes, en maakte geluiden als “smeersmeersmeersmeer!” Iedereen moest lachen. En door het smeer-spelletje, was Timo zo vrolijk, dat zijn handen niet meer trilden. Hij zong een gek liedje: “Broodjes op elkaar, boter bij de hand, deze toren wordt de allerleukste broodjesstand!”
En ja hoor, ineens stond de toren! Tien broodjes, met boterkaarten ertussen, én een broodje dat knorde bovenop. Iedereen juichte.
Hoofdstuk 3: De Doolhof van Dansende Dobbelstenen
“De volgende uitdaging!” riep juf Noor. “Vind de uitgang in het doolhof vol dansende dobbelstenen... zonder één keer ‘stap' te zeggen!”
Timo rende naar het doolhof. Grote dobbelstenen sprongen op en neer als kikkers in de lente. Bij iedere stap hoorde je, “boink!” en “plof!” en soms zelfs een “joehoe!”
Timo deed zijn mond netjes dicht, want hij wist: als hij ‘stap' zei, moest hij opnieuw beginnen. Hij kroop, rolde, hinkelde op één been en deed zelfs tijgersprongen. Telkens als hij bijna ‘stap' wilde zeggen, zei hij iets anders: “Spring!” of “Wiebeloe!” of “Kikkerboink!” De dobbelstenen schaterden van het lachen (ja, deze dobbelstenen konden lachen, dat wist niemand behalve Timo).
Hij kwam terecht bij een dobbelsteen die in slaap was gevallen en zachtjes snurkte. “Zal ik hem wakker maken?” vroeg Timo. “Beter van niet,” fluisterde hij tegen zichzelf en sloop langs de slaapsteen. Nog drie dobbelstenen verder, en daar was de uitgang!
Juf Noor klapte van plezier. “Je hebt het gedaan zonder het verboden woord! Wat een slimme sprongen, Timo!”
Hoofdstuk 4: De Super Snel Wissel Wissel
Nu kwam de allerlaatste uitdaging van het circuit. “Voor de finale,” lachte juf Noor, “moet je vijf keer je kleren verwisselen met onze verkleedkist… in minder dan twee minuten… maar bij elke wissel moet je een gekke bek trekken!”
Timo rende naar de verkleedkist. Daar lagen een piratenhoed, een tutu, een clownsneus, een zonnebril en zelfs een berenpak. De zandloper werd omgedraaid: Timo griste alles uit de kist en riep: “Kijk, ik ben Kapitein Tuturrr!” met een grote, scheve snor. Dan wisselde hij vliegensvlug naar een ballerina met zijn duimen in zijn oren, stak zijn tong uit als clown, deed de bril op zijn hoofd verkeerd om en kroop tenslotte in het berenpak en gromde zo hard dat zelfs Juf Noor even moest giechelen.
Bij elke verkleedpartij trok hij zo'n gek gezicht, dat iedereen in de bieb lag te schateren. De jongste kinderen deden zelfs vrolijk mee en trokken gekke bekken terug.
Net op tijd sprong Timo in zijn gewone kleren, met een grote grijns op zijn gezicht. De zandloper was net leeggelopen.
Juf Noor stond op en buigde plechtig. “Timo, jij bent officieel de Kampioen van de Onmogelijke Uitdagingen! Je hebt niet alleen alles gedaan, maar ook iedereen laten lachen. Daarom krijg je deze Medaille van Vrolijkheid!” Ze hing een kartonnen medaille om zijn nek, waar met glitterstift “Vrolijkste Speler van de Bieb” op stond.
Timo glunderde. “Mag ik morgen weer komen voor een nieuwe uitdaging?”
Juf Noor knipoogde. “Met plezier! Want wie van lachen een spel maakt, die wint altijd.”
En zo sloten ze de dag af met een grote high five, lachen en het besluit dat in de spelletjesbieb elke dag een vrolijke uitdaging kan zijn.