De vroege ochtend in de bakkerij
In het kleine dorpje was het nog stil. De lucht was blauw en zacht. In de bakkerij deed bakker Sofie het licht aan. “Goedemorgen, oven,” zei ze zacht.
Sofie trok haar witte schort aan. Haar handen waren warm en sterk. Ze pakte een grote kom. “Vandaag ga ik iets nieuws maken,” fluisterde ze blij. Ze wilde een heerlijke fougasse bakken. Dat is een plat brood, vol geurige kruiden.
Ze strooide bloem op de tafel. Haar handen voelden het zachte meel. “Meel is zacht als een wolk,” glimlachte ze. Ze roerde water, gist en olie erbij. Alles werd een plakkerig deeg. Met haar handen kneep ze het deeg, zachtjes en langzaam. “Kneed, kneed, kneed,” zong Sofie.
De geur van fougasse
Nu kwam het leukste. Sofie pakte geurige kruiden. Rozemarijn, tijm en een beetje zout. “Wat ruikt dat lekker!” zei Sofie. Ze strooide de kruiden over het deeg. Ze liet haar vingers over de blaadjes glijden. Het voelde fris en een beetje prikkelend.
Ze maakte met haar vingers gaatjes in het deeg. Zo werd het een fougasse, met mooie vormen. Het brood mocht nu rusten. “Slaap lekker, fougasse,” fluisterde Sofie.
De oven werd warm. Sofie legde het deeg in de oven. Al snel rook de bakkerij heerlijk. “Hmm, wat ruikt het hier fijn,” zei Sofie. De fougasse werd bruin en krokant.
De vrolijke afsluiting
Als de fougasse klaar was, haalde Sofie hem uit de oven. Het brood was warm en knapperig. Ze sneed een stukje af en proefde. “Mmm, zo lekker!” lachte ze.
Sofie veegde de tafel schoon en zette haar stoel op zijn plaats. Alles was netjes. Ze keek tevreden rond. “Wat fijn om bakker te zijn,” zuchtte Sofie zacht. De geur van brood bleef nog even in de lucht hangen.
Toen deed Sofie het licht uit. “Welterusten, bakkerij,” fluisterde ze. Alles was rustig en gelukkig. De nacht was warm en vol dromen van vers brood.