Il was eens, in een klein dorpje verscholen onder een deken van sneeuw, een serieuze eekhoorn genaamd Simon. Simon woonde in een holletje in een grote dennenboom, waar de takken als zachte armen vol sneeuwvlokken rustten en de wind zachtjes kerstliedjes neuriede tussen de naalden. Het was bijna Kerstmis en overal in het dierenbos was het licht en warm, vol belletjes en de geur van kaneel.
Hoofdstuk 1: De Verdwenen Lichtjes
Op een koude ochtend, toen de zon nog sliep en alleen de vogels hun dromen zongen, werd Simon wakker met een belangrijk plan. Hij wilde de lichtjes in de grote kerstboom op het dorpsplein opnieuw planten. Elk jaar waren ze een beetje doffer geworden, en Simon vond dat het tijd was voor wat nieuwe glans.
“Dit jaar ga ik ervoor zorgen dat de boom straalt als de sterren,” zei Simon tegen zichzelf, terwijl hij zijn sjaal omdeed en zijn kleine pootjes in zijn rode laarsjes stak.
Buiten dansten de sneeuwvlokken als kleine elfjes door de lucht. Simon sprong van tak naar tak, zijn mandje vol met nieuwe lichtjes stevig vastgeklemd. Onderweg zong hij zijn eigen sneeuwliedje:
“Sneeuwvlokken dwarrelen, lichtjes fonk'len fijn,
Kerstmis komt eraan, samen zullen wij er zijn.”
Toen Simon bij het dorpsplein aankwam, zag hij dat de oude lichtjes dof waren geworden, net als de maan op een mistige nacht. De andere dieren stonden eromheen, wat sip te kijken.
“Wat is er, vrienden?” vroeg Simon vriendelijk.
“De lichtjes zijn moe,” zuchtte mevrouw Muis, die haar kinderen dicht tegen zich aanhield.
“Ze willen slapen en niet meer schijnen,” piepte haar jongste muisje.
Simon glimlachte geruststellend. “Geen zorgen! Ik heb nieuwe lichtjes meegenomen. Samen maken we de boom weer helder.”
En zo begon Simon, met zijn serieuze gezicht en zijn hart vol kerstwarmte, aan zijn taak. De anderen keken vol bewondering toe.
Hoofdstuk 2: De Magische Boom
Simon klom voorzichtig omhoog in de boom, de lichtjes als kleine sterren in zijn mandje. De wind streek zachtjes langs zijn oren, fluisterend: “Doe voorzichtig, Simon! De boom is hoog en oud.”
“Ik zal voorzichtig zijn, wind,” fluisterde Simon terug. “Want de kerstboom is het hart van ons dorp.”
Bovenin de boom, waar de sneeuw het dikst lag, vond Simon een klein vogeltje dat bibberde van de kou.
“Hé, wat doe jij hier helemaal bovenin?” vroeg Simon vriendelijk.
“Ik wacht op het licht,” piepte het vogeltje. “Zonder licht durf ik niet naar beneden te vliegen.”
Simon lachte zachtjes. “Dan zal ik snel zijn. Hou je vleugeltjes maar warm, want het licht komt eraan.”
Met elke lichtje dat Simon voorzichtig vastmaakte, werd de boom helderder. De kleuren dansten over de sneeuw als regenbogen op een witte laken. Beneden begonnen de dieren te zingen:
“Kerstklokken klinken, sneeuw dwarrelt zacht,
De boom wordt weer mooi, in de stille nacht.”
Toen alle lichtjes hingen, floot Simon trots. “Kijk eens, vriendje! Het licht straalt weer.”
Het vogeltje spreidde zijn vleugels en riep blij: “Dankjewel, Simon! Nu durf ik naar beneden.”
Samen daalden ze af, Simon via de takken, het vogeltje fladderend naast hem.
Hoofdstuk 3: De Kleine Ramp en het Grote Hart
Net toen Simon beneden kwam, klonk er een zacht gekraak. De sneeuw op een hogere tak gleed plots naar beneden en bedekte Simons mandje met lichtjes!
“Oh nee!” riep Simon, terwijl hij probeerde het mandje onder de sneeuw vandaan te halen.
De andere dieren stormden toe, hun pootjes trippelend in de sneeuw.
“Niet bang zijn, Simon!” riep meneer Haas. “Wij helpen je.”
Samen begonnen ze te graven, de sneeuw als poedersuiker op hun neuzen. Het was koud aan hun pootjes, maar warm in hun harten.
“Kijk, daar is het mandje!” piepte mevrouw Muis.
Simon pakte het mandje en schudde de laatste sneeuwvlokken eraf. “Gelukkig! De lichtjes zijn nog heel.”
Iedereen lachte opgelucht. “Zie je wel, samen kunnen we alles aan,” zei meneer Haas.
Simon keek om zich heen, naar zijn vrienden die hem zo snel en vrolijk hadden geholpen. Zijn hart werd warm als een kaarsje in de nacht.
“We zijn als de lichtjes in de boom,” zei Simon zachtjes. “Samen schijnen we het mooist.”
En de dieren zongen weer hun kerstliedje, terwijl de sneeuw zacht bleef vallen:
“Sneeuwvlokken dwarrelen, lichtjes fonk'len fijn,
Met vrienden om ons heen, zal het altijd Kerstmis zijn.”
Hoofdstuk 4: Het Grote Kerstfeest
Die avond, toen de maan hoog stond en de sterren knipoogden, verzamelde het hele dierenbos zich rond de grote kerstboom. De nieuwe lichtjes gaven een zachte, gouden gloed. Ze leken op kleine zonnetjes, die de nacht vrolijk maakten.
Simon stond een beetje verlegen aan de zijkant, terwijl iedereen hem bedankte.
“Zonder jou hadden we geen lichtjes gehad,” zei de oude uil wijs.
Simon bloosde. “Ik wilde gewoon dat iedereen een mooie kerst zou hebben.”
“Dat is precies wat een echte vriend doet,” zei mevrouw Muis.
Ze gaven elkaar pootjes, vleugeltjes en knuffels. De klokken in de verte begonnen te luiden, als een liedje dat door de wind werd gedragen:
“Kerstklokken klinken, sneeuw dwarrelt zacht,
Samen zijn we sterk, samen zijn we pracht.”
Iedereen begon te lachen en te dansen in de sneeuw. Zelfs de konijnen deden een gek sprongetje, en het kleine vogeltje zong zo hoog als het maar kon.
Simon keek naar de lichtjes en voelde zich trots en gelukkig. Zijn taak was gedaan, en het hele bos straalde als een kerstkaart.
Hoofdstuk 5: Het Einde met een Lach
Toen het feest op zijn einde liep en de sneeuw als een zachte deken over het bos lag, stonden Simon en zijn vrienden nog even bij de boom. De lichtjes twinkelden als sterren, de lucht rook naar dennen en belletjes.
“Ik ben blij dat ik de lichtjes heb kunnen repikken,” zei Simon.
“En wij zijn blij dat jij onze vriend bent,” zeiden de anderen in koor.
Plots gleed Simon uit over een stukje ijs en maakte een sierlijke tuimeling in de sneeuw. Iedereen schrok een seconde, maar toen begon Simon hard te lachen, zijn lach galmde als een vrolijke klok door het bos.
De anderen moesten ook lachen, tot hun buik ervan schudde. De kerstboom stond erbij en keek ernaar, zijn lichtjes knipperden vrolijk mee.
En zo eindigde de avond met een warm gevoel, de sneeuw zacht als een liedje, de lichtjes helder als vriendschap, en een vrolijke lach die nog lang in het bos bleef hangen.
Sneeuwvlokken dwarrelen, lichtjes fonk'len fijn,
Met een hart vol liefde, zal het altijd Kerstmis zijn.
En iedereen viel in slaap met een glimlach, onder de beschermende takken van de grote dennenboom, terwijl de sterren boven hen waakten en de nacht fluisterde: “Vrede op aarde, voor iedereen.”
Zo was het, en zo zal het altijd zijn, als je samen zorgt voor licht en voor elkaar.