Il was eens een prinses die Roosmarijn heette. Ze woonde in het Koninkrijk Klatergoud, waar de fonteinen giechelden als je erlangs liep en waar wolken soms netjes “pardon” zeiden als ze tegen elkaar botsten. Roosmarijn was niet zo'n prinses die de hele dag “ooh” en “aah” riep bij elke toverspreuk. Nee. Zij was lekker nuchter. Als er een kikker een hoed droeg, knikte ze gewoon en dacht: prima, als hij maar niet op mijn taart gaat zitten.
Hoofdstuk 1
Op een ochtend stond Roosmarijn in de paleistuin en telde ze de rozen. Niet omdat iemand dat moest, maar omdat tellen haar hoofd rustig maakte. Eén roos, twee rozen, drie rozen… bij vier rozen nieste de tuin ineens.
“Hatsjie!”
Roosmarijn keek om. De tuinman? Nee. Een struik? Ook nee. Het was een klein elfje, half verstopt achter een gieter, met verfspatten op zijn neus alsof hij met een regenboog had geworsteld.
“Sorry,” piepte het elfje. “Ik ben Fliereflap. Ik… eh… heb het paleis per ongeluk een beetje… tja…”
Hij draaide zich om en wees met een trillend vingertje naar het paleis.
Roosmarijn slikte. Het hele paleis was van kleur veranderd. Niet netjes, zoals een nieuwe laag verf. Nee: het paleis had nu polkadots. Grote. Kleine. En sommige dots bewogen zelfs een beetje alsof ze probeerden weg te kruipen.
“Je hebt er stippen op getoverd,” zei Roosmarijn rustig.
“Het was de Lachlak!” jammerde Fliereflap. “Die maakt alles vrolijk, maar hij luistert niet altijd naar ‘stop'. En nu… nu wil de koning zo meteen de Raad van Serieuze Zaken ontvangen!”
Alsof het universum dat grappig vond, klonk er binnen in het paleis een streng belletje: ting-ting-ting.
Roosmarijn ademde één keer diep in. Nog geen eind-adem, gewoon een begin-adem. “Goed. We lossen het op. Maar eerst: je noemt het per ongeluk. Heb je ook per ongeluk respect verloren?”
Fliereflap knipperde. “Respect?”
“Ja,” zei Roosmarijn. “Voor het paleis, voor de koning, en ook voor je eigen toverkracht. We gaan netjes vragen, niet plakken en niet plonzen. Begrepen?”
“Begrepen!” riep Fliereflap, zo hard dat een bij even boos omkeek.
En toen begon de avontuurdag.
Hoofdstuk 2
Ze renden naar de Verfwerkplaats van Meester Muraal, een schilderatelier aan het eind van de LimonadeLaan. De deur was gemaakt van hout dat altijd een beetje naar kaneel rook. Binnen stond het vol met potten, kwasten, doeken en een ladder die zo lang was dat hij zich verveelde.
Meester Muraal zelf was een brede man met een snor die eruitzag als twee borstelige rupsen. Hij schilderde een landschap van de berg Fluitflap, maar de berg op het doek floot zachtjes terug.
Roosmarijn klopte beleefd op een verfpot. “Goedemorgen, Meester Muraal. We hebben een probleem dat… eh… rondjes heeft.”
Muraal draaide zich om. “Ah! Prinses Roosmarijn. In mijn atelier wordt er met respect geschilderd. Ook tegen de verf. Vooral tegen de verf. Die kan nogal opvliegend zijn.”
Fliereflap stak zijn hand op alsof hij in de klas zat. “Ik ben niet opvliegend,” zei hij snel. “De lak wel.”
“Dat is al eerlijk,” knikte Roosmarijn. “We moeten de Lachlak temmen. Of… afspoelen. Of… beleefd verzoeken om te stoppen met stippen doen.”
Meester Muraal trok een lade open en haalde er een klein kwastje uit, zo dun als een wimper. “Dit is de Fluisterkwast. Daarmee kun je met verf praten zonder te schreeuwen.”
“Kun je met verf praten?” vroeg Fliereflap.
“Je kunt met alles praten,” zei Roosmarijn. “Maar niet alles antwoordt even netjes.”
Ze namen de Fluisterkwast mee en ook een emmer Schuimwater, dat volgens Muraal “bubbelt als het lacht, maar poetst als het moet”. Roosmarijn bedankte hem. Fliereflap wilde al wegrennen, maar Roosmarijn legde een hand op zijn schouder.
“Eerst bedanken,” zei ze zacht.
Fliereflap schraapte zijn keel. “Dank u wel, Meester Muraal. Met… eh… respect.”
Meester Muraal glimlachte, en zelfs zijn snor leek even te knikken.
Hoofdstuk 3
Terug bij het paleis begonnen de stippen plots te wiebelen alsof ze een eigen feestje hielden. Een rode stip sprong van een muur naar een raam. Een blauwe stip rolde onder een deur door, als een ondeugende knikker.
“Oké,” zei Roosmarijn. “We blijven kalm. Stippen zijn ook maar… ronde gevoelens.”
Fliereflap moest giechelen. “Ronde gevoelens!”
Roosmarijn doopte de Fluisterkwast in een pot neutrale grijze verf die ze van Muraal had meegekregen. Niet omdat grijs saai was, maar omdat grijs zo goed kan luisteren.
Ze tikte voorzichtig tegen een grote gele stip. “Hallo,” fluisterde ze.
De stip maakte een klein boertje. “Brrp. Hoi.”
Fliereflap hapte naar adem. “Hij praat!”
“Rustig,” zei Roosmarijn. “Dag stip. We willen je vragen om terug te gaan naar je pot. De koning krijgt straks bezoek.”
De stip wiebelde. “Maar het is zo leuk om te dansen op muren! En ik ben niet alleen. We zijn een Stippenkoor. We zingen ‘Stip-stap-stup'.”
En inderdaad: vanuit het paleis klonk een zacht, wiegend ritme.
Stip-stap-stup,
stip-stap-stup,
wie niet stipt,
die mist de klup!
Roosmarijn kneep haar ogen een beetje samen, alsof ze een moeilijke som zag. “Luister, Stippenkoor. Ik begrijp dat jullie plezier hebben. Maar dit is het paleis. Het hoort bij iedereen. En iedereen verdient respect. Jullie mogen best lachen… maar niet ten koste van anderen.”
De gele stip werd stiller. “Ten… koste?”
“Ja,” zei Roosmarijn. “Als de koning zich schaamt, lacht niemand meer echt. Dan lachen we alleen nog maar… ongemakkelijk. En ongemakkelijk lachen smaakt naar koude pap.”
Fliereflap knikte heftig. “Brr, koude pap!”
De stip zuchtte. “Koude pap is verdrietig.”
Roosmarijn zag haar kans. “Willen jullie dan een plek waar jullie wél mogen dansen? Een plek waar lachen juist de bedoeling is?”
De stip sprong op. “Ja!”
“Dan gaan we naar het atelier,” zei Roosmarijn. “Daar horen kleuren thuis. Maar eerst moeten jullie beleefd meewerken.”
De stip deed alsof hij een hoed afnam. “Beleefd meewerken. Stip-stap, oké.”
En langzaam, heel langzaam, begonnen de stippen zich te verzamelen. Ze rolden als vrolijke balletjes naar elkaar toe, maar nu in een keurige rij, alsof ze op schoolreis gingen. Roosmarijn liep ervoor, Fliereflap erachter met de emmer Schuimwater, klaar voor een noodgeval.
“Niet spatten,” waarschuwde Roosmarijn.
“Ik spát nooit,” zei Fliereflap.
Op dat moment struikelde hij over een losliggende stoeptegel, maakte een zwaai als een windmolen, en de emmer zei: “Woeps.”
Schuimwater spatte. Niet veel. Net genoeg om de voeten van drie stippen te kietelen.
De stippen gierden het uit. Het hele Stippenkoor begon te zingen, sneller dan eerst:
Stip-stap-stup,
schuim op m'n tulp!
Als je lacht,
dan heb je hulp!
Roosmarijn moest ook lachen, maar ze hield haar gezicht streng genoeg om de situatie niet uit haar handen te laten glippen. “Fliereflap,” zei ze, “respect voor stoeptegels. Die liggen niet voor niks stil.”
“Ik zal voortaan ook tegen tegels sorry zeggen,” mompelde hij.
“Dat is overdreven,” zei Roosmarijn, “maar wel vriendelijk.”
Hoofdstuk 4
In het atelier van Meester Muraal was het warm en rook het naar verf en kaneelhout. De stippen rolden naar binnen alsof ze thuiskwamen. Muraal keek op en liet bijna zijn penseel vallen.
“Wat in mijn naam van Verf en Vlaggen is dit?”
Roosmarijn maakte een kleine buiging. “Een koor met ronde gevoelens. Ze willen hier dansen, maar alleen als u dat goed vindt.”
De stippen hielden zich plots muisstil. Alsof iemand de muziek had uitgezet. Ze staarden naar Muraal, en Muraal staarde terug. Het was een beetje alsof een kat en een komkommer elkaar ontmoetten.
Toen zei de grootste rode stip: “Meneer Muraal… mogen wij… met respect… op uw doeken springen?”
Meester Muraal krabde aan zijn snor. “Op mijn doeken springen? Dat klinkt als chaos.”
Roosmarijn knikte. “En toch kan chaos ook kunst worden, als iedereen regels afspreekt.”
Fliereflap fluisterde: “Regels zijn als hekjes voor geitjes.”
“Precies,” zei Roosmarijn. “En de geitjes zijn dan blij, want ze weten waar ze mogen knabbelen.”
Meester Muraal lachte schor. “Goed. Luister, Stippenkoor. Jullie mogen dansen op één speciaal doek: het Lachdoek. Maar niet op mijn berg die fluit. Die is verlegen.”
De berg op het andere doek floot inderdaad een klein piepje en kroop een beetje achter een wolkje.
“Afgesproken!” riepen de stippen in koor.
Muraal legde een groot wit doek op de grond. “Dit is het Lachdoek.”
De stippen sprongen erop. Plof. Plop. Plip. Ze stuiterden als popcorn, maar netjes binnen de randen. En terwijl ze dansten, maakten ze patronen: een regenboogspiraal, een stippen-kasteel, zelfs een gezicht dat een knipoog deed.
Fliereflap klapte. “Kijk nou! Ze zijn… kunstig!”
Roosmarijn keek naar de stippen en toen naar Fliereflap. “Zie je? Als je respect hebt, kan iedereen plezier hebben. Ook de koning. Ook de verf. Ook jij.”
Fliereflap werd rood, maar gelukkig had niemand een pot rood in zijn handen. “Ik zal voortaan eerst vragen voordat ik lachlak gebruik.”
Meester Muraal gaf hem een klein potje met een label: LACHLAK – ALLEEN MET TOESTEMMING. “En als je vergeet, lees je dit hardop voor. Drie keer.”
Fliereflap knikte ernstig. “Drie keer. Met respect.”
Buiten klonk in de verte het belletje van het paleis weer, maar nu klonk het minder streng. Alsof het belletje ook opgelucht was.
Hoofdstuk 5
Die avond zat Roosmarijn op het balkon van het paleis. Het paleis was weer gewoon, zonder kruipende polkadots, en in de werkplaats van Muraal hing het Lachdoek te drogen. Af en toe kwam er een zacht “stip-stap-stup” vandaan, alsof het doek in zijn slaap nog grapjes maakte.
Fliereflap kwam naast haar zitten met twee kopjes warme muntlimonade. Hij hield het kopje met beide handen vast, alsof het een klein, belangrijk diertje was.
“Prinses,” zei hij, “ik dacht altijd dat magie vooral ging over ‘poef!' en ‘haha!'”
Roosmarijn nam een slok. De munt prikkelde haar tong als een vriendelijk geheim. “Magie gaat ook over ‘alsjeblieft',” zei ze. “En ‘dank je'. En ‘mag ik'. Dat zijn de sterkste spreuken.”
Fliereflap keek naar de sterren, die boven Klatergoud flonkerden als suiker op een pannenkoek. “Ik ga oefenen,” zei hij.
“Goed,” zei Roosmarijn. “En als er morgen weer iets lacht op de verkeerde plek…”
“Dan blijf jij kalm,” zei Fliereflap.
“Ja,” zei Roosmarijn, “en dan denk jij aan respect.”
Samen luisterden ze even naar de stilte, die in dit koninkrijk nooit helemaal stil was. Een fontein giechelde ergens. Een wolk kuchte beleefd.
Roosmarijn sloot haar ogen en nam een diepe, langzame ademteug in… en liet hem rustig weer uit, alsof ze de dag netjes opvouwde en in een lade legde.