Mand en morgenlicht
Nori is een kleine draak met schubben die glanzen als paaseitjes in de zon. Hij houdt van manden. Het vlechtwerk voelt zacht onder zijn klauwen, en het ruikt naar lente. Vandaag draagt hij zijn favoriete mand met een blauw lint. Hij zet hem soms even neer, tilt hem dan weer op, gewoon omdat hij ervan houdt om hem vast te houden.
Het is Pasen. Overal hangen slingers van klimop en bloemen. Tussen de bomen staan grote paddenstoelen als kleurrijke hoedjes. In de lucht wiebelen witte wolkjes, net als pluisjes van paardenbloemen.
Nori heeft nog een taak. In zijn zakje zit een klein zilveren fluitje. Hij heeft beloofd het uit te lenen. Oom Rook, een oude draak met zachte rookkrulletjes, wil het gebruiken om de eierzoektocht te starten. Nori denkt aan de belofte. Hij tikt het fluitje even aan, zodat het helder klingelt. Dan pakt hij weer zijn mand. Want een mand dragen geeft hem rust, alsof hij de hele lente in zijn armen heeft.
Onder de struiken huppelt Jip, de paashaas, met een strik om zijn oor. Hij verstopt chocolade eieren, die lachen als ze zacht stuiteren. Kuiken Dot rolt een ei heel voorzichtig naar een bedje van mos. Een paar vlinders dwarrelen eromheen, alsof ze weten waar het is.
Nori loopt door het bospad. Zijn mand wiegt mee. De zon schijnt. De lucht geurt naar munt en honing. Hij wil Oom Rook snel vinden. Het uitlenen van het fluitje is het belangrijkste. Toch glimlacht hij om elk mooi plekje om een ei te verstoppen. Alles voelt licht en vrolijk, als muziek.
Een belofte en een verrassing
Nori zoekt en zoekt. Bij de beek ziet hij kringen in het water. Op een steen ligt een spechtveer. Daarachter hoort hij een zacht gebrom en een vriendelijke nies. Oom Rook!
Nori sluipt door het hoge gras. Zijn mand houdt hij stevig vast. Met zijn staart tilt hij hem een stukje op, zodat het lint niet nat wordt. Dan springt hij uit de struiken, met een brede glimlach. “Oom!” roept hij. “Verrassing!”
Oom Rook schrikt een beetje, maar lacht meteen. Zijn ogen glinsteren. “Kleine vonk!” zegt hij. “Je liet me even schrikken. Wat draag je die mand weer prachtig.”
Nori knikt trots. “Ik houd van manden,” zegt hij. “En ik kom mijn fluitje uitlenen.” Hij haalt het zilveren fluitje tevoorschijn. Het ligt blinkend in zijn klauw, als een dauwdruppel.
Oom Rook buigt zijn kop. “Dat is precies wat we nodig hebben. Ik ben mijn oude toeter kwijt. Dit fluitje is beter. Het klinkt vast als lente.”
Nori blikt naar de open plek waar de eierzoektocht straks begint. Er staan vrolijke vlaggetjes. Jip en Dot wuiven in de verte. Nori steekt het fluitje omhoog. “Eerst even testen,” zegt hij.
Hij blaast. Uit het fluitje komen kleine lichtstipjes. Ze dansen als vuurvliegjes en ruiken een beetje naar chocolade. Oom Rook grinnikt. “Dat is pas muziek!” zegt hij. “Niet bang zijn, het is zachte magie. Hier schrikken de eieren niet van.”
Nori geeft het fluitje aan Oom Rook. Zijn klauwen voelen even leeg, maar gelukkig heeft hij zijn mand nog. Hij wiegt hem heen en weer. “Klaar om te helpen,” zegt Nori. “Samen gaat het beter.”
Regen met een plan
Dan trekt een klein wolkje voor de zon. Het wolkje knijpt, heel zacht. Er vallen druppels. Plop, plip, plap. Het is geen boze regen. Het is een frisse, vrolijke regen. De druppels glanzen. Ze tikken op bladeren als kleine belletjes.
Jip kijkt omhoog. “Oei,” zegt hij. “Straks worden de vlaggetjes nat.” Kuiken Dot duikt onder een varen. De eieren rollen niet weg, maar ze knipogen wel, alsof ze ook de regen voelen.
Oom Rook zet het fluitje aan zijn lippen, maar wacht nog. Nori denkt snel. Hij houdt van zijn mand, en hij weet waar hij met mand en al droog kan staan. “Onder de Grote Holle Boom,” zegt hij. “Daar is een dak van takken. En daar dichtbij staan paddenstoelen, groot genoeg als paraplu's.”
Oom Rook knikt. “Goed idee, kleine vonk.” Hij blaast op het fluitje. Een heldere toon rolt tussen de bomen door. De toon wijst de weg, als een zilveren draad in de lucht.
Nori stapt voorop. Hij houdt zijn mand stevig vast. Jip neemt de linker kant, Dot neemt de rechter kant, en Oom Rook loopt erachter, breed en warm. Onderweg zingen de druppels op bladeren. Plop, plip, plap. Het klinkt als een zacht paaslied.
De open plek raakt leeg. De eierzoektocht verplaatst zich, als een vrolijke stoet, naar de Grote Holle Boom. Het is niet moeilijk. Het is juist gezellig. Samen verplaatsen ze vlaggetjes en slingers. Ze lachen om een muisje dat een blad als bootje gebruikt in een plasje. “Lekker varen,” zegt Nori, en hij zwaait met zijn mand.
Onder de boom is het droog. De paddenstoelen vormen een kring van kleine, kleurige daken. Er ruikt het naar dennen en zoet mos. Oom Rook blaast nog een korte toon, en de lichtstipjes uit het fluitje wijzen nieuwe verstopplekjes aan, net onder lage takken en tussen zachte bladeren.
Zoeken, vinden, samen delen
Nu kan de zoektocht beginnen. Nori zet zijn mand neer, aait het lint even, en pakt hem dan weer op. “Ik draag hem,” fluistert hij blij. “Ik houd van manden.” Oom Rook geeft een starttoon. De toon klinkt als een glimlach.
Jip huppelt. Dot waggelt snel. Nori kijkt onder varens, langs boomwortels, achter paddenstoelen. Soms tikt hij met een klauw tegen de grond. Dan trilt een takje, en daar is een ei, met streepjes in zonnegeel. Hij legt het voorzichtig in zijn mand. De mand zucht bijna van plezier. Een ei met spikkels rolt uit een holletje. “Kom maar,” zegt Nori zacht. “Je past erbij.”
De regen wordt lichter. De zon stuurt al dunne stralen tussen de takken door. Ze glijden over het fluitje van Oom Rook, dat nog steeds zachtjes na-licht. De lucht ruikt nu naar nat hout en warme chocolade.
Nori ziet Jip die een ei probeert te pakken dat op een hoge wortel ligt. “Te hoog,” zegt Jip, giechelend. Nori gaat op zijn achterpoten staan. “Samen,” zegt hij. Hij tilt Jip een stukje op met zijn staart. Het lukt. “Hoera,” roept Dot, en klapt met zijn minibevleugelde vleugeltjes.
Even later rolt een ei richting een plasje. Nori zet zijn mand ervoor als een kleine dam. “Niet plonsen, hoor,” lacht hij. Het ei tikt tegen het vlechtwerk en blijft netjes liggen. “Goed gevangen,” zegt Oom Rook.
Kinderen zijn er niet, maar er zijn vrienden, en met vrienden is alles licht. De mand van Nori wordt voller en voller. In zijn buik kriebelt het van blijheid. Hij kijkt naar Oom Rook. “Bedankt voor het uitlenen,” zegt Oom Rook zacht. “Je fluitje maakte muziek van de regen. En je verraste me, twee keer zelfs.”
“Eerst met het ‘Oom!' uit de struiken,” lacht Nori, “en daarna met het plan voor de boom.” Hij wiegt zijn mand. “Samen was het makkelijk.”
De laatste druppels vallen. De zon komt helemaal terug. De open plek en de boom lijken allebei te glanzen. Oom Rook blaast nog één keer. Uit het fluitje dwarrelen suikerlichtjes die smelten op de tong. Ze smaken naar aardbei en lente.
Iedereen zit in de kring. Ze delen chocolade eieren: stripjes, stipjes, puur en melk, met nootjes en zonder. Nori kiest een ei met een klein blauw streepje, precies de kleur van het lint om zijn mand. “Proeven?” vraagt hij. Jip en Dot knikken. Ze lachen met volle wangen.
Als de mand leeg is, tilt Nori hem nog eens op. Het vlechtwerk kraakt zacht. Het voelt warm en fijn, alsof hij een stukje van de dag vasthoudt. Hij geeft het fluitje terug aan Oom Rook. “Volgend jaar leen ik het weer uit,” zegt hij. “En ik draag de mand.”
“Afgesproken,” zegt Oom Rook. Hij tikt Nori's schouder heel voorzichtig. De lucht ruist als een tevreden zucht. De bosklanken klinken als een rustig lied.
Zo eindigt Pasen. Met kleuren, met lachen, met een kleine regen die de zoektocht heeft verplaatst, en met handen — of klauwen — die elkaar helpen. Nori loopt naar huis, zijn mand in zijn klauwen. Hij glimlacht. De lente gaat met hem mee. En ergens, heel zacht, zingt het fluitje nog één klein, zilveren nootje na.