Hoofdstuk 1: Mistige Plannen en Gekke Gasten
Op een ochtend die naar citroencake rook – hoewel niemand in huis cake had gebakken – zat Lotte met haar neus tegen het raam geplakt. Buiten danste de mist als een verdwaalde kudde schapen over de straat. Lotte was tien jaar, had een neus vol sproeten en hersens vol plannen. Vandaag zou ze doen wat nog niemand in haar buurt had gedaan: een voilier van mist opblazen.
Dat idee was niet zomaar uit de lucht komen vallen. Gisteravond had haar kat, Sir Wiebelsnor, midden in een wolk van kattenkwaad een stukje touw uit de wasmand gestolen. “Alles kan als je durft te dromen, miauwde hij, en bovendien als je touw hebt.” Lotte geloofde hem meteen, want Sir Wiebelsnor sprak zelden en droomde altijd hardop.
Ze pakte haar rugzak, stopte daarin een oude fietspomp, drie sokken zonder partner, een zakje zuurtjes en een boek over beleefd eenhoorns groeten. Je wist maar nooit.
Haar moeder riep: “Niet verdwalen in de mist, Lotte!” Lotte zwaaide, haar hoofd al bij het avontuur. Sir Wiebelsnor sprong op haar schouder. Buiten was de wereld zacht en wazig, de mist kroop overal als een nieuwsgierig kind. Perfect voor een mistig voilier, dacht Lotte.
Hoofdstuk 2: De Hoed van Kapitein Klets
Aan het randje van het park vond Lotte een plasje mist zo dik dat je er bijna soep van kon maken. Ze legde haar touw in een kring en zette de fietspomp klaar. Maar, zoals altijd als Lotte iets spannends probeerde, verscheen er iemand die zich met haar plannen bemoeide.
Uit het niets dook een man met een te grote hoed, een jas vol knopen en laarzen die piepten bij elke stap. “Oei!” zei hij, “Wat doet een jongedame als jij met zo'n pomperd in de mist?”
“Ik ga een voilier opblazen,” antwoordde Lotte zonder blikken of blozen. “Mist is vandaag perfect.”
De man trok zijn hoed nog dieper. “Ik ben Kapitein Klets, meester in mistige misverstanden en kampioen in quiproquos.”
Sir Wiebelsnor blies zijn snor op. “En ik ben Sir Wiebelsnor, expert in vriendelijke verwarring.”
Kapitein Klets boog. “Een voilier, zeg je? Die moet wel beleefd zijn. Anders varen ze je zo het moeras in!”
Lotte knikte plechtig. “Daarom neem ik beleefdheid zuurtjes mee.” Ze bood er één aan. De kapitein nam er drie.
“Goed, jongedame,” zei hij, “maar als je een voilier van mist maakt, maak dan geen mist van je woorden. Spreek duidelijk met de mist, anders krijg je een schip vol gemopper!”
Hoofdstuk 3: Het Opblazen van de Mist
Het was tijd. Lotte zette het mondstuk in het dikkere stuk mist, pompte met al haar kracht en sprak ondertussen beleefd: “Mist, zou je alsjeblieft een voilier willen worden? Met mast, dek en misschien een vlaggetje?”
Langzaam begon de mist zich te vormen. Eerst als een slak, daarna als een opbollende wolk, toen als een vaag bootje. Kapitein Klets trok een wenkbrauw op. “Knap! Maar vergeet het roer niet, anders vaar je scheef.”
Sir Wiebelsnor miauwde: “En een kattenmand, als het even kan.”
Lotte lachte. “Mist, mag er ook een kattenmand bij?”
Plots hoorden ze een kuchje. Uit de mist kwam een meisje in een glinsterend schort. “Sorry dat ik stoor, maar jullie mist lekt in mijn tuin. Mijn kippen worden waterig.”
“Diplomatiek aanpakken!” fluisterde Kapitein Klets.
Lotte knikte, stapte naar het meisje toe en zei: “Het spijt me, we zijn bezig met een experimenteel vaartuig. Kunnen jouw kippen misschien even binnen schuilen? Als bedankje mag je meevaren.”
Het meisje dacht na. “Alleen als ik de bel mag luiden bij elke bocht.” Lotte stemde toe, de kippen verdwenen naar binnen en het voilier van mist groeide en groeide, nu compleet met kattenmand en bel.
Hoofdstuk 4: Een Storm van Quiproquos
Toen de boot eindelijk klaar was, stapten ze allemaal aan boord: Lotte, Sir Wiebelsnor, Kapitein Klets en het meisje met het glinsterende schort (dat bleek trouwens Miep te heten). De mistboot dreef rustig weg, maar na drie meter klonk er een luid “BOING!”—Miep had de bel gevonden.
Plots kwam er een windvlaag uit het niets. De mistboot schudde, het dek kraakte en Kapitein Klets gilde: “Miststorm op stuurboord!”
Niemand wist wat stuurboord betekende, dus iedereen rende dezelfde kant op. Sir Wiebelsnor viel in een emmer mist, Miep luidde de bel als een bezetene, en Lotte probeerde de boot te kalmeren. “Lieve mist, kun je misschien iets rustiger varen? We zijn hier allemaal vrienden.”
De mist luisterde. De wind ging liggen. Kapitein Klets stond op, zijn hoed scheef, zijn laarzen vol mistsoep. Hij grijnsde breed. “Dat was een echte storm van quiproquos! En niemand is nat geworden, behalve mijn sokken.”
Miep lachte. “Mijn kippen varen straks ook mee, als ze droog zijn!”
Hoofdstuk 5: Kleine Overwinningen
De mistboot gleed verder door het park, langs bomen die hun bladeren als vlaggen zwaaiden. Lotte voelde zich trots. Ze had niet alleen een voilier van mist gemaakt, maar ook nieuwe vrienden gevonden.
Aan het einde van hun tocht legden ze aan bij de grote eik, waar de zon net door de mist brak. “Tijd voor een feestje,” zei Kapitein Klets. Iedereen kreeg een zuurtje, zelfs Sir Wiebelsnor (die hem in zijn kattenmand verstopte).
Miep deelde een stuk wolkentaart uit (“Gemaakt van de dikste mist!”), Kapitein Klets vertelde een mop over een draak in een regenjas, en Sir Wiebelsnor liet zich aaien door allebei de meisjes.
Terwijl de mist langzaam optrok en de gewone wereld weer zichtbaar werd, telde Lotte haar kleine vreugdes: een geslaagde vaartocht, een nieuwe vriendin, een kapitein die wist hoe je laarzen moet drogen, en een kat met een snor die altijd op avontuur wil.
En ergens in de verte blies iemand op een bel.
Einde.