Hoofdstuk 1: Een bijzondere middag
Op woensdagmiddag zit Noor in de klas. Het is bijna tijd om naar huis te gaan, maar eerst mogen de kinderen nog even buiten spelen. Noor kijkt uit het raam. De zon schijnt en ze ziet de blaadjes in de bomen bewegen in de wind. Iedereen voelt zich vrolijk, behalve Noor. Zij voelt zich een beetje anders.
“Noor, ga je mee naar buiten?” vraagt haar vriendje Sam. Sam draagt soms een felgekleurde trui en soms staart hij gewoon naar de lucht. Noor vindt hem grappig en aardig. Ze glimlacht voorzichtig en knikt.
Buiten in de speelplaats rennen kinderen heen en weer. Er wordt getiktakt, gevoetbald en met elastiek gesprongen. Noor kijkt naar de kinderen die allemaal spelen. Ze ziet dat de jongens vooral voetballen en de meisjes spelen met elastiek. Noor wil allebei wel doen, maar ze durft niet goed. Af en toe kijkt ze naar Lotte, haar buurmeisje, die met stoepkrijt regenbogen tekent. Lotte heeft kort haar en draagt soms broeken, soms jurken. Ze doet gewoon waar ze zin in heeft. Noor vindt dat stoer.
“Waar heb jij zin in, Noor?” vraagt Sam naast haar.
“Ik weet het niet,” zegt Noor zachtjes. “Ik zou wel willen voetballen, maar dat is toch meer voor jongens. En ik wil met elastiek springen, maar daar kijken sommige jongens dan weer gek bij.”
Sam kijkt Noor aan. “Ik vind dat iedereen mag doen wat die wil,” zegt hij. “Kom, we verzinnen samen iets leuks.”
Hoofdstuk 2: Een nieuw spel
Noor en Sam gaan samen naar het midden van het plein. Ze zien dat Emma en Fatima touwtje springen. “Mag ik meedoen?” vraagt Noor. “Natuurlijk!” roept Emma vrolijk. Noor begint te springen en Sam probeert het ook, maar hij struikelt steeds. Iedereen moet lachen. “Geeft niet,” zegt Fatima, “ik kan ook niet zo goed voetballen als mijn broer, maar ik vind het wel leuk om te proberen.”
Dan komt Jens erbij, een jongen met lang haar en blauwe nagels. “Wat doen jullie?” vraagt hij nieuwsgierig. “Touwtje springen!” roept Noor. “Wil je ook meedoen?” Jens knikt en springt vrolijk mee.
Na een tijdje zegt Noor: “Zullen we een spel verzinnen waar iedereen mee kan doen? Iets waar je mag rennen, springen én dansen?”
Ze kijken elkaar aan. “Wat dacht je van ‘Stop-dans-tikkertje'?” zegt Sam. Iedereen vindt het een goed idee. Sam legt uit: “Eén iemand is de tikker en als hij je aanraakt, moet je dansen tot iemand anders je aantikt en je weer mag rennen.”
Binnen een paar minuten rennen en dansen de kinderen door elkaar. Soms danst iemand stoer of sierlijk, soms springt er iemand voor de grap op één been. Niemand doet raar over hoe je danst of rent of springt. Noor voelt zich vrij en blij. Ze lacht hardop en haar wangen gloeien.
Hoofdstuk 3: Even twijfelen
Na een tijdje gaat de bel. Iedereen moet naar binnen om hun jas en tas te pakken. Noor loopt samen met Lotte en Sam naar de kapstok.
“Ik vond het zo leuk dat we samen speelden,” zegt Noor. “Het maakt niet uit of je een meisje, een jongen of iets anders bent, toch?”
Lotte knikt. “Ik draag graag broeken en houd van voetballen. Soms zeggen mensen dat het niet hoort, maar daar trek ik me niks van aan. Jij mag ook altijd jezelf zijn, Noor. Dat is juist fijn.”
Sam lacht. “En ik hou van dansen, ook al denken sommige mensen dat jongens dat niet horen te doen. Maar ik word er blij van. En als je blij wordt van iets, dan is het goed!”
Noor denkt even na. Ze voelt zich een beetje trots op haar vrienden. “Misschien moeten we zorgen dat iedereen zich zo kan voelen,” zegt Noor. “Dan is het altijd eerlijk op het plein.”
Hoofdstuk 4: De ambassadeurs van respect
De volgende dag, tijdens het fruitmoment, vraagt Noor aan de juf of ze iets mag zeggen. “Juf, wij willen graag een groepje maken. Een groepje die ervoor zorgt dat iedereen fijn kan spelen, hoe je ook bent of eruitziet.”
De juf kijkt blij. “Wat een prachtig idee! Dat noemen we ‘ambassadeurs van respect'. Willen jullie dat samen doen?”
Noor, Sam, Lotte, Jens en Fatima knikken. “Wij willen graag ambassadeurs zijn,” zegt Noor dapper. “We letten erop dat iedereen mee mag doen en dat niemand wordt uitgelachen om wat ze dragen of leuk vinden.”
De juf schrijft de namen van de ambassadeurs op een groot vel papier. Ze legt uit aan de klas waarom het zo belangrijk is. “Als ambassadeur help je andere kinderen om zichzelf te zijn. Dat is eerlijk en fijn voor iedereen.”
Iedereen in de klas klapt en lacht. Noor voelt zich warm vanbinnen. Ze weet nu zeker dat ze niet alleen is. Samen met haar vrienden zorgt ze ervoor dat iedereen zichzelf mag zijn en dat het altijd eerlijk gaat op het plein.
Later, wanneer Noor naar huis fietst, denkt ze terug aan de middag. Ze glimlacht. “Ik ben gewoon Noor,” zegt ze hardop. “En dat is precies goed.”
En vanaf die dag kijkt Noor altijd met een open blik naar de mensen om haar heen. Want iedereen is anders, en dat is juist eerlijk en mooi.