Hoofdstuk 1: Het Plan van Ratje Raf
Ratje Raf zat op zijn eigenzinnige staart te wiebelen in een veld vol boterbloemen. Zijn neusje trilde. Hij was de slimste rat van het hele bos, dat wisten alle dieren. Vandaag had hij een bijzonder plan. Niet zomaar een plan, maar een plan dat iedereen aan het lachen zou maken. Raf wilde een boeket maken. Maar niet zomaar een boeket. Nee, hij wilde een boeket van lachen, een bundeltje van de grappigste dingen!
"Als ik een boeket van lachen maak," piepte Raf tegen zichzelf, "dan kan ik het geven aan wie verdrietig is. Dan wordt iedereen vrolijk!" Zijn snorharen wiebelden van plezier.
Hij sprong op, trok zijn rode strikje recht en rende het bos in. Eerst naar Miep de muis, die altijd giechelde als haar snorharen werden gekriebeld. Daarna naar Kees de kikker, die zulke gekke sprongen kon maken dat zelfs de oude eik krom lag van de pret. Raf verzamelde de grappigste geluiden, de vrolijkste sprongen en de mafste glimlachen.
Maar hoe maak je nu een echt boeket van lachen? Raf dacht diep na. Misschien moest hij naar de bloemenweide, waar de zonnebloemen altijd zo vrolijk meedraaiden met de zon. Hun gezichten leken altijd te lachen!
Raf hupte verder, zijn pootjes tikten op de zachte aarde. Onderweg struikelde hij over een slak met een hoedje van klaver. "Pardon!" giechelde Raf. De slak lachte zo hard dat zijn huisje wiebelde. Raf ving dat lachje en stopte het in zijn denkbeeldige vaasje.
Zijn boeket groeide: een beetje giechel van Miep, een sprongetje van Kees, het slakkenlachje, en een zonnebloemglimlach. Maar Raf vond het nog niet genoeg. Hij wilde het grappigste boeket ooit!
Hoofdstuk 2: De Dokter van Bobos
Terwijl Raf tussen de bloemen sprong, hoorde hij een vreemd geluid: "Auwie-auw, oei-oei!" Daar lag een eekhoorn op haar rug, met een pleister op haar staart en een grote, denkbeeldige traan op haar wang. "Wat is er gebeurd?" vroeg Raf verbaasd.
"Mijn staart heeft een bobo," jammerde de eekhoorn. "Maar ik weet niet zeker of het echt pijn doet, of alleen maar in mijn hoofd."
Plots verscheen uit het niets een uil met een bril op het puntje van zijn snavel. "Ik ben dokter Pluim, de dokter van bobos die je alleen maar in je fantasie voelt!" riep hij plechtig. Hij had een enorme dokterskoffer vol met kleurige pleisters, glimlachbandjes en zelfs een flesje 'lach-medicijn'.
Dokter Pluim boog zich over de eekhoorn. "Laat me eens luisteren," zei hij serieus. Hij zette een stethoscoop op haar staart en luisterde. "Hmm, ik hoor het al: je hebt last van een lach-tekort!"
Raf giechelde. "Dat treft, dokter! Ik verzamel net een boeket van lachen. Denk je dat dat helpt?"
Dokter Pluim knikte. "Dat is het beste medicijn! Een goede lach maakt elke bobo minder pijnlijk, zelfs de bobos die alleen in je hoofd bestaan."
Samen begonnen ze te zoeken naar nog meer lachjes. Raf plukte een grapje van een veldmuis, een mop van een mol, en een bulderlach van een das. Ze deden alles in het denkbeeldige boeket, dat nu zo groot werd dat Raf het bijna niet meer kon dragen.
Hoofdstuk 3: Het Gekke Bosfeest
Het nieuws van Rafs lachboeket verspreidde zich snel door het bos. Iedereen wilde wel een beetje van dat vrolijke boeket. De konijnen kwamen huppelend, de vogeltjes zongen de gekste liedjes, en zelfs de slome schildpad deed een dansje (heel langzaam, maar toch).
Raf stond trots in het midden met zijn boeket van lachen. "Wie wil er een beetje vrolijkheid?" riep hij.
De dieren stonden in de rij. Elke keer als Raf een lachje uitdeelde, begonnen de dieren te giechelen, te gieren, te schateren. De eekhoorn vergat haar bobo helemaal. De mol rolde over de grond van het lachen. De das kreeg de slappe lach en liet per ongeluk een windje, wat iedereen nog harder deed lachen.
Het bos was een grote, bonte, vrolijke bende. De bomen wiegden zachtjes mee, en zelfs de oude uil, die normaal altijd serieus was, kreeg de hik van het lachen.
Toen het feest ten einde liep, merkte Raf dat zijn boeket niet kleiner werd. Hoe meer lachen hij uitdeelde, hoe groter het werd! "Lachen is net als zonnestralen," fluisterde dokter Pluim. "Hoe meer je deelt, hoe meer je krijgt."
Hoofdstuk 4: Een Pad vol Sterren
Toen de zon onderging en het bos goud kleurde, was Raf moe maar gelukkig. Zijn staart zwiepte tevreden heen en weer. De dieren namen afscheid, met een glimlach tot achter hun oren.
Raf besloot naar huis te gaan, maar hij koos niet het gewone pad. Nee, hij volgde een klein paadje dat glinsterde onder het licht van de maan. De sterren kwamen tevoorschijn en vormden een zacht, fonkelend tapijt boven het bos. Het leek wel of het pad zelf lachte.
Raf liep rustig, keek naar de sterren en voelde zich warm vanbinnen. Zijn boeket van lachen hield hij stevig vast. Hij wist nu dat lachen niet opraakt, dat het overal kan groeien, zelfs op de gekste plekken.
Toen Raf zijn holletje bereikte, keek hij nog één keer omhoog. De sterren knipoogden naar hem. Raf glimlachte terug, zijn snorharen trilden van geluk.
En terwijl hij in zijn zachte bed kroop, hoorde hij in de verte nog het zachte giechelen van de dieren. Het bos was vol van vrolijkheid, en Raf droomde van nog meer boeketten, nog meer lachen, en nog meer paden onder de sterren.
Want in een wereld zonder mensen, maar vol vrienden, is er altijd wel een reden om te lachen.