Bezig met laden...
Verhaal van verborgen schat 11/12 jaar Lezen 23 min.

Het geheim van de fluisterput en de regenfles

Miro, Noor en de kraai Piek volgen een fluistering bij een oude put en ondernemen een spannend avontuur door de Donderbeuk naar een verborgen kamer vol wonderlijke voorwerpen, waarbij ze leren luisteren, samenwerken en verantwoorde keuzes te maken.

Download dit verhaal als PDF

Ideaal om dit verhaal te delen of af te drukken!

Download het e-book (.epub)

Lees dit verhaal op uw e-reader.

Miro, een klein jongetje met een dunne staart als een vraagteken, verlegen glimlach, helder ogen en warrig lichtbruin haar, in een mosgroene gilet en rubberlaarzen, houdt voorzichtig een klein glazen flesje met een piepkleine grijze wolk die druppelt; Noor, een menselijk meisje met zwart haar en een potlood achter het oor, ondeugende geruststellende blik, gestreepte beige jurk en met bloem bestoven schort, knielt links en richt de regen op een dor groentetuintje met open handen terwijl ze Miro aankijkt; Piek, een grote kraai met paarse glans en glanzende veren, zit rechts op een lage tak met een licht uitgewaaierde vleugel en scheve kop; locatie: de rand van een dorp bij het "Natte Woud", donkere aarde, nette moestuinpercelen, hoge kruiden en wilde bloemen, een oud met mos bedekt stenen putje en massieve boomstammen met liaan, aquarelhemel in roze en blauw; scène: teder licht moment waarin Miro gerichte regen vrijlaat om een hongerige tuin te begieten — fonkelende parelachtige druppels, gedeelde hoop en vriendschap, zachte kleuren en een warme, hoopvolle sfeer. meld een probleem met deze afbeelding

Hoofdstuk 1 — Het gefluister in de put

In het dorpje Kiezelbroek stond een oude waterput die al jaren niet meer werd gebruikt. Er groeide mos op de rand, en in de scheuren zaten zaadjes die dachten dat ze bomen waren. Iedereen liep eromheen, alsof de put een slecht humeur had.

Behalve Miro.

Miro was klein, lenig en had een staart die soms deed alsof hij een vraagteken was. Zijn ogen glansden als natte knikkers in maanlicht, en als hij lachte, klonk het alsof er ergens een belletje “pling” zei. Hij woonde in een hol onder de wortels van een beuk, waar hij alles bewaarde wat hij ooit interessant had gevonden: een kapot kompas, een glazen knoop, en een steentje dat verdacht veel leek op een aardappel.

“Miro,” zei juf Bente op school, “als je een raad hoort die te diep klinkt, moet je niet meteen doen wat hij zegt.”

Miro knikte braaf. Hij was namelijk van goed advies. Maar hij was ook nieuwsgierig, en nieuwsgierigheid is een soort kriebel die niet stopt als je erover praat.

Die avond liep hij naar de put. De lucht rook naar regen die nog moest beslissen of hij ging vallen. Miro hurkte bij de rand en hield zijn oor zo dicht mogelijk bij de stenen.

En toen hoorde hij het.

Geen stem zoals mensenstemmen. Eerder een heel zacht geritsel, alsof iemand in de diepte een kaart openvouwde.

“Luister… dieper…”

Miro slikte. “Wie is daar?” fluisterde hij terug.

“De cache… het meest verborgen… onder het meest holle…”

Miro trok zijn wenkbrauwen op. “Het meest holle?”

Een windvlaag trok langs de put en deed het mos rillen. In het donker glinsterde iets: een klein metalen ringetje, half in een kier.

Miro peuterde het los. Het was een oud sleuteltje, met krullen als wortels. Aan het sleuteltje hing een stukje perkament, zo dun als uienschil.

Hij rolde het voorzichtig open. Er stond een tekening op: de put, een boom met een bliksemschicht in de stam, en daaronder één woord dat Miro's hart sneller liet tikken.

SCHAT.

“Oké,” zei Miro tegen zichzelf. “Ik luister. Maar ik ga niet dom doen.”

Zijn staart maakte een overtuigd vraagteken.

Hoofdstuk 2 — De raad van een scherpe snavel

De volgende ochtend vertelde Miro het aan Noor, een meisje dat altijd een potlood achter haar oor had en plannen in haar zakken. Noor woonde naast de bakker en rook daardoor meestal naar warm brood, zelfs als ze boos was.

“Een sleutel aan een put?” Noor kneep haar ogen samen. “Klinkt als een uitnodiging. Of als een val.”

“Daarom heb ik jou nodig,” zei Miro. “Jij denkt aan dingen waar ik pas later tegenaan loop.”

Noor grijnsde. “Ik loop liever niet tegen dingen aan. Ik loop eromheen.”

Ze spreidden het perkament uit op Noor's tafel. Haar kat, Kapitein Knor, sprong er meteen op zitten, alsof hij de schat al had opgeëist.

“Noor,” zei Miro streng, “je kat saboteert de expeditie.”

Kapitein Knor geeuwde zo breed dat je zijn tanden kon tellen. Noor tilde hem op en zette hem naast een stapel boeken. “Daar. Nu saboteert hij de literatuur.”

Ze bestudeerden de tekening. “De boom met de bliksem,” mompelde Noor. “Dat is de Donderbeuk in het Natte Woud. Die is ooit geraakt door bliksem. Iedereen kent 'm.”

Miro's oren spitsten. “En ‘onder het meest holle'?”

Noor tikte met haar potlood op de kaart. “Holle plekken… grotten, boomstammen, oude tunnels. Maar het ‘meest holle' klinkt als… een echo. Misschien moeten we niet kijken, maar luisteren.”

Miro glimlachte. “Dat wilde de putstem ook.”

Net toen ze hun rugzakken wilden pakken, landde er een kraai op het raamkozijn. Zijn veren glommen paars in het licht. Hij kantelde zijn kop, alsof hij een geheim proefte.

“Jullie zijn laat,” kraste de kraai.

Noor sprong achteruit. “Ehm. Praat jij?”

“Alleen tegen mensen die naar putten luisteren,” zei de kraai droog. “Noem me Piek. Ik geef goed advies. Gratis. Totdat het duur wordt.”

Miro knipperde. “We… hebben al een adviseur.”

“Dan zijn jullie dubbel slim,” zei Piek. “Of dubbel in de problemen.”

Noor vouwde haar armen. “Waar bemoei jij je mee, vogel?”

Piek tikte met zijn snavel tegen het glas. “De Donderbeuk is niet zomaar een boom. Er is een holte in de stam, diep als een hongerige mond. Daar hoor je soms… een tweede geluid. Niet van deze wereld, maar ook niet eng. Meestal.”

“Meestal?” herhaalde Miro.

Piek haalde zijn schouders op, voor zover een kraai schouders heeft. “Avonturen hebben nu eenmaal bijwerkingen. Neem een touw mee. En iets om te markeren waar jullie zijn geweest. Anders loop je rondjes tot je vergeet waarom je begon.”

Noor knikte langzaam. “Touw. Krijt. Zaklamp.”

Miro pakte het sleuteltje. Het voelde plots zwaarder, alsof het wist dat het bijna gebruikt zou worden.

Hoofdstuk 3 — De Donderbeuk en de echo die terugpraat

Het Natte Woud heette niet zo omdat het altijd regende, maar omdat het nooit helemaal droog werd. Zelfs de zon leek er met natte schoenen te lopen. Varens waren er zo hoog als Noor's schouders, en de bomen droegen druppels als sieraden.

De Donderbeuk stond midden op een open plek, dik en trots, met een zwarte littekenstreep langs de stam. De lucht rook er naar hars en iets metaalachtigs, alsof de bliksem nog steeds in de bast woonde.

“Daar,” fluisterde Miro.

In de stam zat inderdaad een holte: donker, rond en diep. Noor scheen met haar zaklamp naar binnen. De lichtbundel verdween alsof hij in een lange gang werd opgeslokt.

“Noor,” zei Miro zacht, “hoor jij dat?”

Ze hield haar adem in.

Eerst was er alleen het tikken van druppels. Toen kwam het: een lage brom, als een verre trommel. En daaroverheen een fluistering, alsof de boom zelf woorden wilde vormen.

“Dieper… onder de holte… waar het stilste geluid woont…”

Piek landde op een tak en keek alsof hij een les gaf. “Dat is de echo. Maar niet de gewone.”

Noor trok een wenkbrauw op. “Echo's praten niet.”

“Deze is eigenwijs,” zei Piek.

Miro stak voorzichtig zijn hand in de holte. Zijn vingers raakten iets glads: een metalen plaatje. Hij trok het eruit. Het was een klein deurtje, met een sleutelgat dat precies paste bij het sleuteltje.

Noor's ogen glommen. “Oké. Dit is serieus.”

Miro hield even stil. “Als dit verkeerd voelt, stoppen we.”

Noor legde een hand op zijn schouder. “Moedig zijn betekent niet dat je nergens bang voor bent. Het betekent dat je eerlijk bent over je bang zijn en toch nadenkt.”

Piek knikte, alsof hij dat zelf ook had kunnen zeggen maar te trots was.

Miro stak de sleutel in het gat. Het klikte, helder en kort. Het deurtje sprong open.

Achter het deurtje zat geen schatkist. Geen goud. Alleen een smalle trap die naar beneden ging, uitgehakt in de binnenkant van de stam.

“Een boomtrap,” fluisterde Noor. “Wie bouwt nou een trap in een boom die al bliksem heeft gehad?”

“Een boom met karakter,” zei Piek.

Miro pakte het touw uit Noor's rugzak. “We binden dit vast aan de wortel. Als we verdwalen, volgen we het terug.”

Ze daalden af. De lucht werd koeler. Het hout voelde onder hun vingers niet ruw, maar glad alsof het gepolijst was door tijd. De trap boog en draaide, dieper dan een boom ooit zou mogen gaan.

Tot ze uitkwamen in een gang van steen.

Noor fluitte zacht. “Dit… hoort niet.”

“Avonturen horen vaak niet,” zei Piek. “Daarom onthoud je ze.”

Hoofdstuk 4 — Het doolhof van stille stenen

De gang leidde naar een ruimte waar de muren glansden van zwarte steen. Het was er zo stil dat Miro zijn eigen hart hoorde, alsof het met kleine voetstappen rondliep.

Op de grond lagen lijnen, ingegraveerd als paden op een kaart. Elke lijn leidde naar een andere boog van steen, alsof de kamer acht monden had die naar verschillende geheimen gaapten.

“Een doolhof,” zei Noor. “En geen broodkruimels. Jammer.”

Miro haalde krijt tevoorschijn. “Kijk, wij hebben wel iets.”

Piek sprong van boog naar boog en tikte met zijn snavel. “Sommige klinken hol. Dat is belangrijk.”

Miro herinnerde zich de fluistering: onder het meest holle. Hij knielde en tikte met zijn knokkels op de stenen vloer. Sommige plekken gaven een doffe klank, andere een heldere, holle “tok” die in zijn borstkas trilde.

“Daar,” zei hij. “Dat stuk klinkt alsof er lucht onder zit.”

Noor markeerde de rand met krijt. “Maar hoe komen we erdoorheen?”

Alsof de kamer meeluisterde, schoven twee stenen in de muur langzaam uit elkaar. Er verscheen een smalle spleet. Koude lucht blies naar buiten, met een geur van natte aarde en iets zoets, als gedroogde appels.

“Dat was… vriendelijk,” zei Noor.

“Of nieuwsgierig,” zei Piek. “Net als jullie.”

Ze gingen door de spleet en kwamen in een gang die steeds smaller werd. Op sommige plekken moesten ze zijwaarts schuifelen. Miro's staart was hier niet handig; hij moest hem stevig tegen zich aan houden.

“Ik voel me een pannenkoek,” mompelde Noor.

“Met potloodvulling,” zei Piek.

Noor probeerde niet te lachen, maar er ontsnapte toch een snuifje. Het geluid kaatste terug en werd groter, alsof de gang hun humor verzamelde.

Aan het einde lag een deur van steen met drie ronde gaten. Boven de gaten stond een zin, in krullerige letters:

ALLEEN WIE LUISTERT, OPENT.

Miro legde zijn oor tegen de deur. Eerst niets. Toen hoorde hij, heel zacht, drie verschillende tonen: één laag, één midden, één hoog. Ze kwamen niet tegelijk, maar in een patroon.

“Het is een soort ritme,” fluisterde hij.

Noor luisterde ook. “Laag… midden… hoog… midden… laag… hoog…”

Piek wiebelde met zijn kop. “Als je het verkeerd doet, gebeurt er iets onaangenaams. Dat heb ik gehoord. Van een deur. Deurverhalen zijn saai, maar ze liegen zelden.”

Noor stak drie kleine steentjes in de gaten, één voor elke toon. “We drukken ze in de volgorde van het ritme.”

Miro knikte. Ze ademden tegelijk in.

Laag. Midden. Hoog. Midden. Laag. Hoog.

De deur trilde, zuchtte alsof hij net wakker werd, en schoof open.

Aan de andere kant lag een ruimte die licht gaf zonder lampen.

Hoofdstuk 5 — De kamer van wonderlijke vondsten

De kamer was rond en hoog, als de binnenkant van een reusachtige schelp. In de muren zaten nissen vol voorwerpen: een kompas dat draaide zonder wind, een flesje met een mini-regenbui erin, een touwtje dat zichzelf knoopte en weer losmaakte, alsof het oefende.

In het midden stond een stenen tafel met een kistje erop. Niet groot. Niet overdreven glanzend. Eerder… bescheiden. Alsof de schat niet wilde opscheppen.

Miro liep langzaam dichterbij. “Dus dit is het.”

Noor keek rond, haar ogen groot. “Wauw. Dit zijn geen munten. Dit zijn… wonderdingen.”

Piek streek zijn veren glad. “Schatten zijn niet altijd zwaar. Soms zijn ze slim.”

Op de tafel lag naast het kistje een brief, verzegeld met was. Miro brak het zegel voorzichtig. De brief was geschreven met inkt die blauw glom.

AAN WIE HIER KOMT,

ALS JE DIT LEEST, BEN JE NIET ALLEEN MOEDIG, MAAR OOK GEDULDIG EN SLIM.

DEZE SCHAT IS GEMAAKT VOOR WIE GOEDE RAAD KAN HOREN, MAAR OOK ZELF KAN KIEZEN.

NEEM NIET ALLES. KIES ÉÉN DING DAT JE ANDEREN KAN HELPEN.

EN VERGEET NIET: DE WEG TERUG IS OOK EEN PROEF.

Noor slikte. “Eén ding maar.”

Miro keek naar de voorwerpen. Zijn vingers jeukten van nieuwsgierigheid, maar de brief voelde als een hand op zijn schouder: rustig, maar stevig.

“Wat zou anderen helpen?” vroeg Noor.

Piek sprong op de tafel. “Iets dat niet alleen leuk is, maar nuttig. En iets waar je verantwoordelijk mee omgaat. Anders krijg je chaos. Chaos is grappig, maar vermoeiend.”

Miro dacht aan het dorp. Aan juf Bente die altijd pleisters tekortkwam. Aan de bakker die soms zonder meel zat. Aan kinderen die ruzie kregen en daarna deden alsof het nooit was gebeurd, maar toch met die blik bleven lopen.

Zijn blik viel op het flesje met de mini-regenbui. De wolk erin draaide zacht, klaar om te druppelen.

“Noor,” zei hij, “als het in de zomer te droog is, hebben de tuinen dorst. En de put… die is leeg. Wat als we regen kunnen brengen, een beetje, waar het nodig is?”

Noor knikte langzaam. “Dat zou… echt helpen.”

Piek snoof. “Een regenfles. Klinkt als gedoe. Maar goed gedoe.”

Miro pakte het flesje. Het was koel en licht. De wolk binnenin tikte tegen het glas alsof hij hallo zei.

Noor keek nog één keer naar de andere wonderdingen. Ze zuchtte, maar haar ogen waren warm. “We nemen alleen dit. Eerlijk.”

Miro legde de brief terug en sloot het kistje zonder het te openen. Dat voelde vreemd moedig: iets niet doen terwijl je het heel graag wil.

Toen klonk er achter hen een schurend geluid.

De deur begon langzaam weer dicht te schuiven.

“De weg terug is ook een proef,” mompelde Noor. “Natuurlijk.”

Hoofdstuk 6 — De proef van teruggaan

Ze renden naar de deur, maar die was al bijna dicht. Miro stak snel zijn hand ertussen. De steen was koud en zwaar; het duwde tegen zijn vingers alsof het de kamer wilde houden.

“Noor!” riep hij. “Help!”

Noor zette haar schouder tegen de deur. Piek vloog op en neer, woest fladderend alsof hij de deur kon intimideren.

“Duw!” kraste Piek. “Alsof het de laatste koekjes zijn!”

Met een gezamenlijke inspanning kregen ze net genoeg ruimte om erdoor te glippen. Miro trok zijn hand terug en blies erop. “Au. Oké. De kamer is duidelijk klaar met ons.”

De gang terug voelde anders. Donkerder. Alsof de stilte nu luisterde naar hén.

Toen ze bij de smalle spleet kwamen, was die nog smaller geworden. Noor keek erdoor en trok een gezicht. “Ik ben officieel geen pannenkoek meer, ik ben een rietje.”

Miro hield het touw vast dat ze achter zich hadden gelegd. “We gaan één voor één. Rustig. We raken niet in paniek.”

“Zegt degene met een staart,” mompelde Noor, maar ze glimlachte.

Miro ging eerst, schuifelend, adem inhoudend bij de krapste stukken. Het steen schuurde langs zijn rug. Hij dacht aan de regenfles in zijn tas en voelde de wolk zacht bewegen, alsof die hem moed insprak.

Aan de andere kant trok hij Noor voorzichtig door het smalste deel, hand voor hand. Noor's vingers trilden even, maar ze gaf niet op.

“Zie je,” zei Miro zacht, “je bent sterker dan je gezicht net deed alsof.”

Noor proestte. “Mijn gezicht overdrijft graag.”

Piek kwam als laatste, soepel door een spleetje dat voor hem natuurlijk belachelijk ruim was. “Voordeel van vleugels,” zei hij, alsof hij het zelf had uitgevonden.

Terug in de doolhofkamer klonken de bogen anders. Sommige die eerder hol klonken, waren nu dof. Het leek alsof de kamer hun krijtstrepen had gezien en beledigd was.

Noor kneep haar ogen samen. “Onze markeringen… ze zijn vaag.”

Miro tikte op de vloer. “Dan doen we het opnieuw. We luisteren.”

Ze liepen langzaam, tikten, luisterden, overlegden. Toen ze een verkeerde boog inliepen, kwamen ze in een doodlopende gang met een muur die zachtjes ademhaalde.

Noor stapte achteruit. “Oké. Dat is officieel een ‘nee'.”

Piek keek de muur streng aan. “Doe normaal.”

De muur deed niet normaal.

Miro besloot dat slim zijn soms betekent: teruggaan voordat iets je dwingt. Ze keerden om, volgden het touw dat nog steeds naar de boomtrap leidde.

Bij de trap omhoog kwam de warmte terug. Het hout rook naar buitenlucht. Miro voelde zijn schouders lichter worden.

Bovenaan klikte het deurtje in de Donderbeuk open, alsof het hen uitademde. Ze stapten de open plek op en het woud klonk ineens weer gewoon: vogels, bladeren, een verre specht die duidelijk een discussie had met een boom.

Noor ging op het gras zitten. “Ik heb benen van pudding.”

“Pudding is een prima brandstof,” zei Piek.

Miro keek naar de hemel tussen de bladeren. “We hebben het gered. En we hebben iets dat helpt.”

Piek knikte. “Moed is niet alleen naar beneden durven. Het is ook weer naar boven willen.”

Hoofdstuk 7 — De schat die druppelt, en de knoop aan het einde

Terug in Kiezelbroek wachtten de problemen van het gewone leven, maar Miro voelde zich anders. Alsof er een klein lampje in hem brandde dat hij zelf had aangestoken.

De volgende dag was het warm. De moestuinen stonden er dorstig bij. De bakker klaagde dat zijn kruidenplantjes slap hingen als natte sokken aan een lijn.

Miro, Noor en Piek gingen naar de dorpsrand, waar de grond het droogst was. Miro haalde het flesje uit zijn tas. De wolk binnenin draaide vrolijk.

“Oké,” zei Noor, “hoe werkt het?”

“Waarschijnlijk door te luisteren,” zei Miro.

Hij hield het flesje bij zijn oor. Heel zacht hoorde hij druppels die nog niet bestonden. Het klonk als een liedje dat zijn weg zocht.

Miro draaide de dop een klein beetje los.

Meteen kwam er een zachte regenbui uit het flesje, precies zo groot als een paraplu. Druppels vielen in een perfecte cirkel op de grond, niet te hard, niet te zacht. De aarde dronk gretig, donkerde en rook plots weer levend.

Noor lachte. “Het is een regen-voor-één-plek!”

Piek stak zijn snavel in de druppels en schudde. “Ik ben nat, dus het is echt.”

Ze liepen langs de tuinen en gaven elke dorstige plek een minuutje regen. Miro lette erop dat hij niet te veel gebruikte. De brief had gelijk: verantwoordelijkheid voelde zwaar, maar ook stevig, als een goede rugzakriem.

Aan het einde van de middag kwamen ze weer bij de oude put. Miro keek naar de rand, naar het mos en de scheuren.

“Denk je dat de put… nog iets wil zeggen?” vroeg Noor.

Miro hurkte en luisterde. Dit keer was er geen fluistering van schat. Alleen het zachte, tevreden geluid van water dat diep in de stenen bewoog, alsof het dorp langzaam een geheim terugkreeg.

Piek landde op de rand. “Soms is stilte het beste advies.”

Noor trok een stukje touw uit haar zak. “Hier. Voor jou.”

“Waarvoor?” vroeg Miro.

Noor knoopte het touwtje om het halsje van het regenflesje, zodat het als een draaglus om Miro's pols kon. Ze maakte een stevige knoop, trok eraan om te testen, en knikte goedkeurend.

“Zodat je het niet laat vallen,” zei ze. “En zodat je elke keer dat je het gebruikt, voelt dat je niet alleen bent.”

Miro keek naar de knoop. Simpel. Sterk. Een kleine draai die alles bij elkaar hield.

Hij wikkelde de ficelle—het touwtje—een paar keer om zijn pols en liet het uiteinde netjes vastzitten. De wolk in het flesje tikte zacht, alsof hij applaudisseerde zonder lawaai te maken.

Miro grijnsde. “Dus… dit is de echte schat?”

Noor keek naar de regenplekjes in de tuinen, naar de glimmende aarde, naar de put die niet meer zo nors leek. “Een schat die je deelt. En een knoop die je eraan herinnert dat durf niet verdwijnt als je hem vastbindt.”

Piek schraapte zijn keel. “En dat ik natuurlijk een uitstekende adviseur ben.”

Miro en Noor zeiden tegelijk: “Dat was gratis, zei je.”

Piek deed alsof hij beledigd was, maar zijn ogen glansden. “Vooruit dan. Gratis. Vandaag.”

En terwijl de avond viel over Kiezelbroek en de eerste echte wind door de bladeren streek, voelde Miro de ficelle om zijn pols: een opgerolde belofte, klaar voor het volgende avontuur.

Zonder advertenties 3€ per maand

Wilt u ononderbroken lezen? Steun Oh My Tales, verwijder alle advertenties en geniet van andere inbegrepen voordelen vanaf 3€ per maand.

Bekijk de plannen en tarieven
Delen

rapporteer een probleem met dit verhaal

Wat vond je van dit verhaal?

Geef uw mening door een beoordeling te geven aan dit verhaal op basis van wat u en/of uw kind ervan vonden. Bij voorbaat dank!

Dank je wel! Uw beoordeling is in behandeling genomen!

De quiz: heb je het verhaal goed begrepen?

Perkament
Dun, oud papier gemaakt van dierenhuid, gebruikt voor schrijven vroeger.
Littekenstreep
Een smalle, zichtbare lijn op de boom waar ooit iets de bast beschadigde.
Holte
Een lege plek of opening binnenin iets, zoals in een boom of muur.
Spleet
Een smalle opening of krap gat waar je moeilijk doorheen kunt.
Doolhof
Een ingewikkeld netwerk van paden waar je makkelijk kunt verdwalen.
Nissen
Kleine holtes in een muur of oppervlak om dingen in te zetten.
Verzegeld met was
Iets dichtgemaakt met gesmolten was om het af te sluiten en te beschermen.
Verantwoordelijkheid
De plicht hebben om goed voor iets of iemand te zorgen.

Creëer een magisch en uniek verhaal voor uw kind!

Creëer in slechts een paar minuten een gepersonaliseerd avontuur waarin uw kind de held wordt. Met onze exclusieve tool is het gemakkelijk, gratis en leuk!

Een verhaal creëren

Download dit verhaal:

Download dit verhaal als PDF Download het e-book (.epub)

Te lezen daarna in Verhalen van verborgen schatten voor 11/12 jaar

Ontvang elke zondagavond nieuwe verhalen!

Ontvang 7 spannende en boeiende verhalen, afgestemd op de leeftijd en smaken van uw kind, elke zondag om 17:00*. Het is gratis en gegarandeerd zonder spam!
*E-mail verzonden om 17:00 uur Midden-Europese Tijd (CET).
We houden ook niet van spam. Daarom sturen we alleen verhalen. U kunt zich op elk gewenst moment afmelden.