Hoofdstuk 1
De winkelpromenade rook naar warme wafels, natte stoeptegels en een beetje naar hond, want iemand had net met een druipende labrador langs de fontein gelopen. Noor (12) liep middenin de drukte, alsof hij per ongeluk de kapitein van een kleine vloot was. Links van hem huppelde Samira met een felgroene rugzak. Rechts slenterde Bram, die altijd deed alsof hij niet enthousiast was, maar ondertussen alles wilde zien. En achter hen kwam Daan, met zijn pet scheef en zijn lach al half klaar.
“Oké,” zei Noor, terwijl hij zijn handen in zijn jaszakken stak. “We hebben één taak. We moeten een poster ophangen voor de sponsorloop. Eén. Poster.”
“En nul chaos,” zei Bram streng.
Daan grijnsde. “Zeg dat maar niet te hard. De chaos luistert mee.”
Samira wees naar het prikbord bij de bibliotheek, midden op de promenade. “Daar! Dat is perfect. Alleen… we hebben tape nodig.”
Noor klopte op zijn zakken. Sleutels. Een knikker die hij al maanden kwijt was. Een leeg snoeppapiertje. Geen tape.
“Mijn moeder zei nog: ‘Neem tape mee.' En ik zei: ‘Mam, ik ben twaalf, ik kan ademen zonder tape.'” Noor zuchtte. “Blijkbaar niet.”
Naast het prikbord zat mevrouw Katoen, de kiosk-eigenares, op een krukje. Ze had een bril met een kettinkje en een gezicht dat tegelijk streng en vriendelijk kon zijn, zoals een kat die je eerst aankijkt en dan besluit je toch niet te krabben.
Noor stapte naar haar toe. “Mevrouw Katoen? Heeft u misschien een stukje tape voor ons?”
Ze keek op. “Tape? Ik heb plaktape, ducttape, glittertape… Ik heb zelfs tape die ruikt naar aardbei. Waarom vraag ik niet.”
Bram fluisterde: “Aardbei-tape bestaat niet.”
Mevrouw Katoen deed alsof ze hem niet hoorde. Ze haalde een rolletje tevoorschijn. “Hier. Maar voorzichtig. De promenade is een gevoelig ecosysteem.”
Noor nam het rolletje aan alsof het een heilige schat was. “Dank u wel! Echt, super. Ik breng het meteen terug.”
“Dat hoor ik graag,” zei mevrouw Katoen. “Want als tape wegloopt, komt het nooit meer terug. Tape is een avonturier.”
Daan trok zijn wenkbrauwen op. “Tape met een rugzakje.”
Samira giechelde. “Tape op reis. ‘Dag, ik ga de wereld aan elkaar plakken!'”
Noor lachte mee, maar stopte het rolletje heel netjes in zijn zak. “Kom. Poster erop, tape terug, klaar.”
Ze waren nog geen vijf stappen verder of Daan zei: “Ehm… Noor?”
“Wat?”
“Er steekt iets uit je zak.”
Noor voelde. Het rolletje tape was half zichtbaar. Een passerende vrouw met een grote sjaal kwam langs, de sjaal zwiepte… en toen: floep.
Het rolletje tape schoot uit Noors zak, rolde over de stoep, maakte een bocht alsof het een eigen plan had, en verdween met een plof onder een bankje.
Noor bleef staan. “Nee.”
Bram stak een vinger op. “Ik zei toch: ecosysteem.”
Hoofdstuk 2
Ze knielden bij het bankje. Onder de bank lag niet alleen de tape. Er lagen ook twee verloren handschoenen, een verfrommeld kassabonnetje, een muntje en… een duif.
Niet een gewone duif, maar een duif met de uitstraling van iemand die net een belangrijke vergadering had verstoord en daar nul spijt van had.
De duif keek hen aan. Toen keek hij naar de tape. Toen weer naar hen. Alsof hij dacht: Nou? Zijn jullie klaar met staren?
Daan fluisterde: “Hij bewaakt het.”
Samira fluisterde terug: “Als een mini-draak.”
Bram boog voorover. “Hallo duif. Wij willen graag die tape.”
De duif knipperde traag. Het was een beledigende knipper. Een knipper die zei: Ik heb tijd. Jullie niet.
Noor haalde diep adem. Hij voelde zijn wangen warm worden, maar hij bleef rustig. Hij wist dat hard roepen alleen maar chaos zou voeren. “Oké,” zei hij zacht. “We doen dit slim.”
“Wat is slim?” vroeg Daan.
Noor keek naar de duif, toen naar zijn vrienden. “We lokken hem weg. Zonder gedoe.”
Samira rommelde in haar rugzak. “Ik heb… een appel, een pen, een elastiek, en een pakje rozijnen.”
Daan stak zijn handen op. “Ik heb… lucht. En goede bedoelingen.”
Bram zei: “Ik heb een cracker. Die is een beetje plat geworden. Maar hé. Dat ben ik ook aan het einde van een schooldag.”
Noor knikte. “Cracker is perfect. Duiven zijn dol op drama én kruimels.”
Bram legde de cracker een stukje verderop, op de rand van de fontein. “Oké. Duif. Kijk. Eten.”
De duif draaide zijn hoofd in een hoek die niet hoorde te kunnen. Hij keek naar de cracker. Hij keek naar de tape. Hij zuchtte. Ja, hij zuchtte echt, het klonk als: pffft.
En toen stapte hij… één stap.
“Hij gaat!” fluisterde Samira.
De duif stapte nog een stap. Toen nog één. Alsof hij met elke stap onderhandelde met het universum.
Noor schoof langzaam zijn hand onder het bankje. “Rustig… rustig…”
Op dat moment rende een klein jongetje voorbij met een ballonhond. De ballonhond piepte. De duif schrok, flapperde met zijn vleugels en sprong… precies op Noors hand.
Noor verstijfde. Hij durfde niet te bewegen.
Daan fluisterde: “Je bent nu officieel een duivenstoel.”
Bram wilde lachen, maar hield zijn mond dicht. Zijn schouders trilden.
De duif keek Noor recht in de ogen. Van dichtbij zag Noor dat de duif een piepklein veertje scheef had, alsof hij net uit bed was gerold.
Noor praatte zacht, alsof hij tegen een heel chagrijnige buurman sprak. “Hé vriend. Ik wil je niet lastigvallen. We hebben alleen die tape geleend. We moeten hem terugbrengen. Alsjeblieft.”
De duif knipperde weer. Toen stapte hij van Noors hand af. Heel langzaam. Alsof hij toestemming gaf.
Noor pakte bliksemsnel het rolletje tape. “Yes!”
De duif flapte, nam de cracker mee in zijn snavel en vloog weg. Niet met haast, maar met trots.
Samira barstte in lachen uit. “Hij stal de omkoop-cracker!”
Daan klapte zachtjes. “Respect. Dat is… een professioneel niveau.”
Noor blies uit. “Oké. Tape terug in mijn zak. Diep. Heel diep.”
Bram tikte tegen Noors jas. “Nog één keer en ik naai je zak dicht.”
Noor glimlachte. “Eerlijk? Deal.”
Hoofdstuk 3
Bij het prikbord waaide de wind alsof hij ook een mening had. De poster voor de sponsorloop klapperde als een opgewonden vlag.
“Hou vast!” zei Noor.
Samira hield de bovenkant vast, Bram de onderkant. Daan stond erbij met de tape, alsof hij een chirurg was die nét niet wist wat een operatie was.
“Geef maar,” zei Noor.
Daan trok aan de tape. De tape trok terug. Het rolde niet af. Het klemde. Het plakte. Het deed alles behalve normaal.
“Het is… eigenwijs,” zei Daan.
Bram keek. “Dat is ducttape.”
Mevrouw Katoen had gezegd: plaktape, ducttape, glittertape… Noor voelde zich plotseling heel dom. “Ik dacht dat alle tape gewoon tape was.”
Samira giechelde. “Dit is tape met spierballen.”
Daan trok harder. De tape schoot los met een knal en plakte meteen aan zijn mouw.
“Help,” zei Daan kalm. “Ik ben vastgeplakt aan mezelf.”
Bram trok zijn mouw los. De tape plakte nu aan Brams vingers.
“Help,” zei Bram, iets minder kalm. “Ik ben vastgeplakt aan Daan.”
Samira hield de poster nog steeds vast, maar haar handen begonnen te trillen van het lachen. “Jullie zijn een… een tape-tweeling!”
Noor probeerde het op te lossen. “Oké. Rustig. We halen het eraf zonder… zonder… AA!”
De tape plakte nu ook aan Noors jas. Drie jongens, één rol ducttape, en een poster die wapperde alsof hij dit het grappigste van de week vond.
Een oudere meneer met een boodschappentas bleef staan kijken. “Gaan jullie een modern kunstwerk maken?”
Daan knikte serieus. “Ja. Het heet: ‘Vrienden in de knoop.'”
Bram gromde. “Dit kunstwerk bijt.”
Noor ademde langzaam in en uit. Trage adem, rustige handen. “Oké. We stoppen met trekken. We knippen.”
“Knippen?” Samira keek op. “Met wat?”
Noor keek om zich heen. Een winkel met knutselspullen. Een kapper. Een schoenenzaak. En… een klein kraampje met sleutelhangers en telefoonhoesjes.
Bij dat kraampje stond een meisje van hun leeftijd, met twee vlechten en een schaar aan een koordje. Ze knipte zorgvuldig een stukje lint af.
Noor stapte naar haar toe, met zijn arm nog half vast aan ducttape. “Hoi. Ehm… wij hebben een klein tape-probleem. Mogen we heel even je schaar lenen? We geven hem meteen terug. Alsjeblieft.”
Het meisje keek naar de tape-constructie, naar de poster, en toen naar Noor. Ze trok één wenkbrauw op. “Jullie lijken op een wandelende plakkerige octopus.”
“Klopt,” zei Noor. “Maar een vriendelijke.”
Samira kwam erbij staan en fluisterde: “We zijn ongevaarlijk. Meestal.”
Het meisje lachte. “Oké. Maar voorzichtig. Hij is scherp.”
Noor nam de schaar aan met twee vingers, alsof hij ineens in een spannend spionnenfilm zat. “Dank je. Echt. Ik beloof dat ik hem terugbreng.”
Bram fluisterde: “Zeg ook dat we haar niet per ongeluk vastplakken.”
Noor knikte. “En we… plakken jou niet vast. Ook niet per ongeluk.”
“Fijn,” zei het meisje droog. “Dat is vandaag mijn grens.”
Met kleine knipjes knipte Noor de tape door. Plak. Knip. Plak. Knip. Het voelde alsof hij een wild dier temde dat van kleverige knuffels hield.
Daan wreef over zijn mouw. “Ik ben vrij.”
Bram bekeek zijn vingers. “Ik heb nu een nieuwe vingerafdruk. Van tape.”
Samira hield de poster omhoog. “En de poster?”
Noor pakte een nieuw, klein stukje tape, dit keer met respect. “Nu doen we het rustig. Eén hoek. Dan de andere.”
Samen plakten ze de poster vast. Hij zat scheef. Bram wilde hem recht duwen.
“Niet meer aankomen!” riep Daan.
Noor keek. Scheef, maar leesbaar. En eigenlijk… best grappig.
“Laat maar,” zei Noor. “Het lijkt alsof de sponsorloop ook al begint te rennen.”
Samira grijnsde. “Dynamisch ontwerp.”
Ze liepen terug naar het meisje om de schaar terug te geven. Noor stak hem netjes uit. “Dank je wel. Echt. Je hebt ons gered van een leven als tape-monsters.”
Het meisje nam de schaar aan. “Graag gedaan. En… succes met jullie kunstproject.”
Noor glimlachte. “Als je ooit iets moet ophangen zonder vast te plakken aan een duif, wij zijn experts.”
Hoofdstuk 4
De zon zakte een beetje en de promenade werd rustiger. De fontein klaterde alsof hij zachtjes aan het giechelen was om alles wat er net gebeurd was.
Noor voelde ineens een prikje in zijn buik. De tape. Hij moest terug. Mevrouw Katoen had het geleend. Niet gekregen.
“Oké,” zei Noor. “Laatste stap. Tape terugbrengen. En ik ga heel langzaam lopen. Heel langzaam.”
Daan deed overdreven slow motion, alsof hij door dikke pudding liep. “Ik… loop… zo… langzaam… dat… ik… morgen… aankom…”
Bram duwde hem een beetje. “Doe normaal.”
Samira keek naar Noors zak. “Zit hij er echt in?”
Noor stopte zijn hand in zijn zak en verstijfde. Zijn ogen werden groot.
“Wat?” vroeg Bram.
Noor haalde zijn hand eruit. Leeg.
“NEE,” zei Noor, maar heel zacht, alsof hij bang was dat het woord ‘nee' de tape opnieuw zou laten verdwijnen.
Daan keek meteen om zich heen. “Oké, tape-avonturier. Waar ben je?”
Samira tikte tegen Noors jas. “Misschien in je andere zak?”
Noor voelde. Ook leeg. Hij slikte. “Hij is weg.”
Bram sloeg zijn hand voor zijn gezicht. “We hebben een duif verslagen, ducttape overleefd, en nu… verliezen we hem alsnog?”
Noor keek naar de poster. Daar zat nog tape. Veel tape. Ducttape.
“Wacht,” zei Noor. “We hebben stukken tape gebruikt. Misschien ligt de rol… ergens bij het prikbord.”
Ze renden terug. Niet heel hard, maar haastig genoeg om eruit te zien als vier mensen die iets zoeken dat rond kan rollen en een eigen wil heeft.
Bij het prikbord stond een kleine jongen met een step. Hij had de ducttaperol in zijn hand en maakte er… een armband van.
Hij wikkelde en wikkelde, tevreden als iemand die een superslim plan had. Zijn step stond te wiebelen.
Noor stapte naar hem toe. Hij voelde spanning, maar hij hield zijn stem rustig. Dit was zo'n moment waarop je niet groot hoefde te doen. Alleen duidelijk en vriendelijk.
“Hé,” zei Noor. “Dat rolletje tape… dat hebben wij geleend van mevrouw Katoen bij de kiosk. We moeten het terugbrengen. Mag ik het alsjeblieft terug?”
De jongen keek op. Zijn gezicht stond onschuldig, maar ook een beetje uitdagend. “Ik had het nodig.”
“Voor een tape-armband?” vroeg Bram.
De jongen stak zijn pols omhoog. “Het is een superarmband. Tegen… tegen boze honden.”
Daan knikte serieus. “Begrijpelijk. Boze honden zijn vaak bang voor kantoorartikelen.”
Samira deed een stapje naar voren, zacht. “Luister. We snappen het. Maar het is niet van ons. We hebben het geleend. Als we het niet terugbrengen, is dat niet eerlijk.”
De jongen keek naar de grond. Zijn step piepte. “Ik wilde ook iets doen. Iedereen doet altijd dingen. Ik… ik had niks.”
Noor knikte. Hij voelde dat dit geen “boos worden”-moment was. Dit was een “rustig dapper zijn”-moment. “Je mag best iets doen,” zei Noor. “Maar misschien kunnen we samen iets bedenken, zonder spullen te pakken die geleend zijn.”
De jongen friemelde aan de tape. “Ik wist niet van geleend.”
Bram zuchtte, maar minder hard. “Oké. Dan weet je het nu.”
Noor wees naar de sponsorloopposter. “Zie je die poster? We maken reclame voor de sponsorloop. Als je wil, kun je meedoen. Of je kunt helpen met flyers uitdelen. Dan doe je ook iets.”
De jongen keek op. “Echt?”
“Echt,” zei Noor. “En als je een armband wil, kunnen we er eentje maken van lint. Of… van die elastieken van Samira.”
Samira knikte. “Ik heb er zat.”
De jongen keek naar zijn tape-armband-in-wording, en toen naar Noor. Langzaam rolde hij de tape een stukje terug, alsof hij een slak voorzichtig van een blad haalde. Hij gaf de rol aan Noor. “Hier.”
Noor nam hem aan met twee handen. “Dank je wel. Echt. En… bedankt dat je hem teruggeeft.”
De jongen keek verrast. “Bedank je me?”
“Ja,” zei Noor. “Het is best dapper om iets terug te geven als je het eigenlijk wil houden.”
Daan fluisterde tegen Bram: “Noor is vandaag de minister van rustige moed.”
Bram fluisterde terug: “En de minister van tape-problemen.”
Hoofdstuk 5
Bij de kiosk zat mevrouw Katoen nog steeds op haar krukje, alsof ze nooit knipperde. Toen Noor aankwam, hield hij het rolletje tape omhoog alsof hij een gewonnen trofee terugbracht.
“Mevrouw Katoen,” zei Noor. “Hier is uw tape terug. Helemaal. Nou ja… hij heeft een spannend leven gehad, maar hij is terug.”
Mevrouw Katoen nam de tape aan en bekeek hem. “Hij ziet er… doorleefd uit.”
Daan zei: “Hij heeft een duif ontmoet.”
Bram zei: “Hij heeft mij aangevallen.”
Samira zei: “En hij is bijna een armband geworden.”
Mevrouw Katoen knikte langzaam. “Ik zei toch: tape is een avonturier.”
Noor voelde zijn schouders zakken. Opluchting. En ook iets anders: trots dat hij niet had geschreeuwd, niet had getrokken, niet had geduwd. Gewoon rustig gebleven, ook toen alles plakte.
“Dank u wel dat u hem aan ons uitleende,” zei Noor. “Echt. En sorry voor… eh… het ecosysteem.”
Mevrouw Katoen glimlachte. “Jij hebt hem teruggebracht. Dat telt. En je hebt je vrienden nog steeds. Ook dat telt.”
Bram tikte Noor zacht tegen zijn arm. “We hebben zelfs een extra vriend gemaakt.”
Noor keek om. De jongen met de step stond een paar meter verderop, met een elastiek-armband van Samira om zijn pols. Hij zwaaide aarzelend.
Noor stak zijn hand op. “Kom erbij!”
De jongen kwam dichterbij. “Mag ik straks echt meehelpen met flyers?”
“Zeker,” zei Noor. “Maar eerst… even ademhalen. We zijn een beetje… geplakt geweest.”
Daan leunde tegen de kiosk. “Ik ga nooit meer iets lenen dat kan rollen.”
Samira lachte zacht. “Dat is bijna alles.”
De drukte op de promenade werd een zacht geroezemoes. Iemand speelde ergens een simpel deuntje op een straatpiano. De fontein klaterde rustiger, alsof hij ook moe was van het lachen.
Noor keek naar zijn vrienden. Bram met zijn serieuze ogen die toch warm waren. Samira die altijd oplossingen vond in haar rugzak. Daan die overal een grap van maakte, zelfs van paniek. En nu ook die jongen met de step, die ineens niet meer zo alleen leek.
Noor stak zijn hand uit naar hem. “Ik ben Noor. Zullen we straks samen die flyers uitdelen?”
De jongen pakte zijn hand. Zijn hand was klein en een beetje koud van het stepstuur. “Ik ben Ties.”
“Mooi,” zei Noor. “Dan zijn we nu een team. Een team dat… niet aan duiven leent.”
Bram knikte. “En dat tape altijd terugbrengt.”
Samira zei: “En dat rustig blijft als alles plakt.”
Daan grijnsde. “En dat lacht. Heel veel.”
Ze stonden zo even samen, hand in hand voor een moment, in de avondlucht van de promenade. Het voelde simpel en stevig, als een knoop die je niet ziet maar wel vertrouwt. En terwijl de dag langzaam stiller werd, bleef hun zachte, gezamenlijke gegiechel nog even hangen, alsof de stenen van de promenade het hadden onthouden.