Hoofdstuk 1: De verdwenen stappen
Op een wel heel gewone ochtend, in het stille straatje Lindeplein, sprongen drie vrienden in het midden van de stoep omhoog. Timo, met zijn vrolijke sproeten, had een knalgele pet op. Suus, de slimste met de knikkende vlechten, droeg haar lievelingsschoentjes met glitters. En Jamal, met zijn ondeugende lach, hield zijn handen klaar om elk avontuur te grijpen.
“Wie kan het hardst springen?” vroeg Timo. Ze sprongen zo hoog dat zelfs de vogels even keken.
Maar ineens werd het vreemd. Timo keek naar zijn schoenen. “Hé! Mijn spring-stap is weg!” riep hij verbaasd. Suus probeerde te huppelen, maar haar huppel voelde zo zwaar als een natte spons. Jamal probeerde te rennen, maar hij kwam niet verder dan een trage slakkengang.
“Onze stappen zijn weg!” piepte Suus.
Jamal keek om zich heen. “Misschien heeft iemand ze gestolen. Of... misschien zijn de stappen ergens anders naartoe gelopen?”
De drie vrienden besloten samen hun verdwenen stappen te zoeken. Timo pakte zijn vergrootglas. Suus haar roze notitieboekje. Jamal... die pakte een koekje. Want je weet maar nooit of je onderweg trek krijgt.
Hoofdstuk 2: Het magische misverstand
In het steegje achter de fietsenwinkel hoorden ze geritsel. Een klein, harig wezentje – nauwelijks groter dan een skippybal – scharrelde rond, zijn snuitje in de lucht. Zijn vacht glinsterde alsof de zon zelf hem had gekieteld. Op zijn kop stond een te grote toverhoed, die telkens over zijn ogen zakte.
“Stop daar!” riep Timo dapper.
Het wezentje sprong verschrikt op. “Ik ben niet gevaarlijk! Ik verzamel alleen... verloren stappen.”
Suus fronste. “Verloren stappen? Die zijn van ons!”
Het wezentje spreidde zijn pootjes. “Ik ben Fiep. Stappenzoeker van beroep. Soms raken stappen los als kinderen te snel willen, of als je niet let op waar je loopt. Dan dwarrelen ze weg, als confetti in de wind. Ik breng ze altijd netjes naar het Stappenmagazijn.”
Jamal schaterde. “Is dat een feestje voor voeten?”
Fiep schudde zijn hoofd. “Nee, het is een enorme kast, vol met rondspringende, verloren stappen. Maar... soms raken ze een beetje in de war daarbinnen.”
Suus zuchtte. “Kunnen we onze stappen terughalen?”
Fiep keek verlegen. “Alleen als jullie eerst de Stappenzoek-toverdans doen. Maar die is nogal... eh... lastig.”
Hoofdstuk 3: De stap-voor-stap dans
De kinderen volgden Fiep naar het Stappenmagazijn, dat eruitzag als een heel gewone vuilniscontainer. Maar toen Fiep zijn hoed zwaaide, verscheen er een gouden deurtje.
Binnenin sprongen, huppelden en wiebelden duizenden onzichtbare stapjes over de vloer. Ze klonken als bubbels in limonade: plop, plop, plop!
“De toverdans begint met één voet stil, dan een piepkleine hup, dan de andere voet op de plaats, en dan... een lach!” legde Fiep uit.
Timo probeerde het. Hij struikelde, maar lachte. Suus draaide een rondje meer dan nodig was. Jamal vergat te lachen en kreeg de slappe lach. Elke keer dat het misging, dwarrelde er een vonkje uit de lucht en werd de kamer een beetje lichter.
“Je hoeft het niet goed te doen,” zei Fiep. “Je moet er vooral plezier in hebben. Stappen komen vanzelf terug als je lief bent voor jezelf.”
Na heel wat giechels, vals gedanste sprongen en gekke gezichten, begon Timo weer licht te springen. Suus voelde het huppelen in haar tenen tintelen. Jamal rende een rondje in het magazijn, sneller dan ooit.
“Hé! Mijn stappen zijn terug!” riep Timo blij.
Hoofdstuk 4: Miel van licht
Toen alle stappen weer op hun plek zaten, toverde Fiep uit zijn hoed een potje tevoorschijn. Het potje glom en straalde als de ochtendzon.
“Dit is miel van licht,” fluisterde Fiep. “Gemaakt van alle vrolijke sprongen die jullie net hebben teruggevonden. Als je je ooit weer verdrietig voelt of een stap kwijtraakt, neem dan een likje. Het herinnert je eraan dat geduld met jezelf het allermooiste tovermiddel is.”
De kinderen propten hun vingers in het potje. De mierzoete miel tintelde op hun tong. Suus giechelde, Timo sprong nog een keer van blijdschap, en Jamal gaf zelfs Fiep een knuffel.
Met hun eigen stappen terug, hun magen vol miel en hun hart boordevol plezier, renden ze naar buiten. De zon scheen net een stukje warmer, de lucht tintelde van avontuur. Ze wisten nu: ook als je een stapje mist, komt alles wel weer goed – als je maar de tijd neemt en jezelf een beetje lief vindt.