Bezig met laden...
Verhaal over de zomervakantie 11/12 jaar Lezen 16 min.

De pauzeknop van de bergen

Twee jongens gaan met hun ouders op bergvakantie waar Bram leert omgaan met afscheid en Milan ontdekt dat het oké is om over zijn ongemak te praten; samen vinden ze manieren om rustig van de reis te genieten.

Download dit verhaal als PDF

Ideaal om dit verhaal te delen of af te drukken!

Download het e-book (.epub)

Lees dit verhaal op uw e-reader.

Vier personen: jongen 12 Bram met kort bruin haar, lichte huid, blauwgrijs T-shirt en kaki short, zittend op een rots op de voorgrond, nadenkend naar de vallei kijkend; jongen 12 Milan met warrig blond haar, lichte huid, felgeel T-shirt, staand links van Bram, opgeluchte glimlach, hand bij de enkel; vrouw ~40 moeder met kastanjebruin haar in staart, lichte groene jas, staat achter hen met een gevouwen kaart en kijkt zacht naar het panorama; man ~40 vader met kort haar en lichte baard, geruite blouse, gehurkt rechts en bindt Milans veters, zorgzame blik. Locatie: bergpadtop met klein stenen uitkijkpunt, brede vallei met miniatuurhuizen en kronkelende wegen, houten hut met rood dak op de achtergrond, hoge graslanden, gele en paarse wilde bloemen, kromme dennen en een glinsterend beekje; lichte blauwe lucht met pluizige wolken. Situatie: pauze bij uitzicht na wandeling, rustige lumineuze scène in verzadigde kleuren en scherpe contrasten in popartstijl, personages dicht bij elkaar met behulpzame gebaren; nadruk op texturen (hout, steen, stof, gras), scherpe schaduwen en zwarte contouren. meld een probleem met deze afbeelding

Hoofdstuk 1

De treinramen gloeiden in het middaglicht. Buiten schoven groene velden voorbij, met af en toe een koe die lui in de schaduw stond. Bram hield zijn voorhoofd tegen het glas. Het voelde koel, maar in zijn buik kriebelde het warm en onrustig.

“Zodra we uitstappen, ruikt het anders,” zei hij.

Milan grinnikte en tikte met zijn vinger tegen Brams rugzak. “Je bedoelt: het ruikt naar vakantie. En naar jouw zonnebrand. Je hebt die al in de trein open gemaakt.”

Bram trok een gezicht. “Ik wilde gewoon checken of het nog werkt.”

Ze waren allebei twaalf, en ze gingen met Brams ouders een week wandelen in de bergen. Een zomer zonder schoolbel, zonder huiswerk. Bram keek ernaar uit, maar elke keer als hij aan het einde dacht—aan de terugreis, aan het uitzwaaien van de bergen—voelde het alsof iemand zachtjes aan een draadje in zijn borst trok.

Op het perron werd de lucht dunner en frisser. Zijn moeder wees naar een bord met pijlen. “De bus naar het dal vertrekt over tien minuten.”

“Tien minuten is precies genoeg voor een ijsje,” zei Milan meteen.

Brams vader lachte. “Jullie hebben overal tijd voor ijs.”

Bram kocht een klein hoorntje citroen. Het smolt sneller dan hij dacht. Hij likte haastig, alsof hij de tijd kon bijhouden door sneller te eten.

“Waarom eet je alsof je het moet redden?” vroeg Milan.

Bram haalde zijn schouders op. “Omdat dingen… snel voorbij zijn.”

Milan keek hem even aan, serieus. “Dan eten we gewoon langzaam. Dan duurt het langer.”

Bram moest lachen. Het was een simpele oplossing, maar het voelde prettig. Ze liepen naar de bus, plakkerige vingers, en Bram ademde diep in. Gras, warme stenen, een vleugje den. Vakantie had inderdaad een eigen geur.

Hoofdstuk 2

De bus kronkelde omhoog langs bochten waar Bram automatisch zijn voeten tegen de vloer drukte, alsof hij de bus kon sturen. Milan deed alsof hij een piloot was.

“Dames en heren,” zei Milan met een plechtige stem, “aan uw rechterhand ziet u een rots. Aan uw linkerhand ziet u… nog een rots.”

Bram schoot in de lach. Zijn moeder draaide zich om. “Als jullie maar niet misselijk worden.”

“Wij? Nooit,” zei Milan, en precies op dat moment ging zijn gezicht iets bleker.

Bram zag het meteen. Milan was goed in grappen, maar minder goed in doen alsof alles altijd prima was.

“Gaat het?” fluisterde Bram.

Milan knikte te snel. “Tuurlijk.”

Bij de volgende stop stapten ze even uit om de benen te strekken. De zon prikte, maar er waaide ook een koele wind langs de bergwand. Bram zag dat Milan zijn adem inhoudt alsof hij niet zeker wist of hij moest zuchten of niet.

“Zullen we iets anders doen?” stelde Bram voor. “Niet meteen weer achterin zitten en doen alsof je een piloot bent. We kunnen voorin zitten, waar je beter naar buiten kunt kijken. Of… we kunnen gewoon even wachten en wat water drinken.”

Milan keek hem aan, opgelucht alsof iemand een knoop losmaakte. “Voorin is goed. En water.”

Ze gingen naast de chauffeur zitten, met uitzicht op de weg en een blauwe strook lucht. Milan dronk langzaam uit zijn fles.

“Dank je,” zei hij zacht.

“Wat?” Bram deed alsof hij het niet belangrijk vond, maar zijn wangen werden warm.

“Dat je niet zei: stel je niet aan,” zei Milan. “Sommigen zeggen dat.”

Bram haalde zijn schouders op. “Je voelt wat je voelt. Dat is gewoon zo.”

Buiten verschenen de eerste echte bergen: hoge, grijze vormen met witte strepen sneeuw die zelfs in juli bleven liggen. Bram dacht: dit is zo mooi dat het bijna pijn doet. Maar dit keer was het een fijne pijn, alsof je hart even groter werd.

Hoofdstuk 3

De wandeling naar het berghutje begon op een pad met kleine steentjes. Hun schoenen kraakten zacht. De lucht rook naar hars en zonverwarmd hout. Brams vader liep voorop met een kaart, Brams moeder achteraan met een rustig tempo, alsof ze een onzichtbare draad om hen heen gespannen hield.

Milan vond een stok die precies recht was. “Kijk,” zei hij, “officiële wandelstok. Nu ben ik een berggids.”

“Dan moet je ook vertellen waar we zijn,” zei Bram.

Milan keek om zich heen, ernstig. “We zijn… in een gebied waar je als je struikelt, heel waardig moet vallen.”

Bram probeerde waardig te kijken en struikelde bijna over een wortel. “Zo waardig?”

“Perfect,” zei Milan, en hij hield zijn lach net op tijd in.

Na een uur begon Bram de hut te zien: een houten gebouw met een rood dak, alsof het daar expres was neergezet om je welkom te heten. Er stonden picknickbanken. Er hing een bel aan de deur.

Binnen was het koel. Het rook naar soep, natte jassen en iets zoets—kaneel, misschien. Een vrouw met een gevlochten staart gaf hen hun kamer. “Vier bedden. Twee boven, twee onder. En schoenen blijven in de gang.”

De slaapzaal had houten wanden en een klein raam. Bram legde zijn rugzak neer en voelde plots een steek van iets dat hij niet goed kon uitleggen.

“Wat is er?” vroeg Milan. Hij zat al op een bed en liet zich achterover vallen alsof het een trampoline was.

“Het is gewoon…” Bram keek naar het raam. De bergen stonden stil, maar toch voelde het alsof alles bewoog. “Als je ergens aankomt, is het ook weer een beetje afscheid van thuis.”

Milan trok zijn wenkbrauwen op. “Jij denkt echt in twee richtingen tegelijk.”

Bram glimlachte flauwtjes. “Ik kan het niet uitzetten.”

Milan ging rechtop zitten. “Dan doen we het anders. We zeggen niet: we zijn weg van thuis. We zeggen: thuis wacht even op ons. Net als een pauzeknop.

“En als de pauze voorbij is?”

“Dan drukken we weer op play,” zei Milan. “Zonder te rennen.”

Bram voelde iets zachts zakken in zijn borst. “Oké. Pauzeknop.”

Die avond aten ze in de eetzaal. Er waren andere wandelaars: een opa met een grote baard, twee meisjes die een kaart bestudeerden alsof het een schatkaart was, en een jongen die zijn sokken aan de kachel hing.

De soep was dik en warm. Buiten werd de lucht langzaam paars. Bram luisterde naar het bestek, het geroezemoes, het knetteren van de kaarsen. Het voelde alsof de wereld kleiner werd, maar dan op een gezellige manier.

Hoofdstuk 4

De volgende ochtend wekte de zon hen vroeg. Het licht viel in strepen over de houten vloer. Bram trok zijn trui aan en stapte naar buiten. De lucht was zo fris dat het leek alsof je het kon drinken.

Milan kwam achter hem aan, zijn haar alle kanten op. “Ik denk dat mijn hoofd nog in bed ligt.”

“Je haren ook,” zei Bram.

Ze liepen naar een grasveldje naast de hut. Er lag dauw, en hun schoenen werden nat. Brams moeder had gezegd dat ze vandaag een korte route zouden doen naar een uitzichtpunt en weer terug. Geen haast.

Onderweg stopten ze bij een beekje. Het water sprong over stenen, helder en snel. Milan hurkte en stak zijn handen erin. “IJskoud!”

Bram deed hetzelfde. Het prikte, maar het was heerlijk.

Later, op een stuk pad waar de zon fel was en er bijna geen schaduw stond, begon Milan langzamer te lopen. Zijn schouders zakten. Hij kneep zijn ogen dicht.

Bram liep naast hem. “Hé. Hoe gaat het echt?”

Milan zuchtte. “Ik heb het warm. En mijn voeten doen raar. Alsof ze protesteren.”

Brams vader keek achterom. “Willen jullie even pauze? Daar is een rots in de schaduw.”

Ze gingen zitten. Bram zag dat Milan zijn veters losmaakte en zijn schoenen voorzichtig uitschopte. Zijn sokken waren vochtig.

“Blijft het nog lang zo?” mompelde Milan.

Bram dacht aan het woord ‘doorzetten'. Hij hoorde volwassenen dat vaak zeggen. Maar hij dacht ook aan hoe Milan in de bus opgelucht was geweest toen iemand het serieus nam.

“Als je je niet goed voelt, veranderen we het plan,” zei Bram. “We hoeven niet per se dat uitzichtpunt te halen. We kunnen ook hier blijven en stenen in de beek gooien. Of terug naar de hut en kaarten.”

Milan keek op, alsof hij even niet wist of hij toestemming had om het fijn te vinden. “Mag dat?”

Brams moeder knikte. “Natuurlijk. Een vakantie is geen wedstrijd.”

Brams vader wees naar Milans schoenen. “Misschien knelt het. We kunnen je veters anders strikken. En water drinken. En als het dan nog niet goed voelt, draaien we om.”

Ze veranderden de veters. Bram leerde een knoop die zijn vader “de berglus” noemde. Het klonk stoer, maar het was eigenlijk gewoon een extra lusje.

Milan stond op en zette een paar stappen. “Dit is… veel beter.”

“Zie je wel,” zei Bram.

Ze liepen nog een stukje verder, maar rustig. Toen ze bij het uitzichtpunt kwamen—later dan gepland, zonder stress—was het dal een open kaart van groen en grijs. Kleine huisjes leken speelgoed. Wolken dreven langzaam, alsof ze ook vakantie hadden.

Milan zei niets, maar Bram zag zijn glimlach. Bram voelde iets in zichzelf groeien: niet groter willen zijn dan je bent, maar wél eerlijker.

Hoofdstuk 5

Terug in de hut regende het kort. Dikke druppels tikten op het dak alsof iemand met vingers op hout trommelde. Binnen werd het warm van natte jassen en thee.

Bram en Milan gingen aan een houten tafel zitten met een pak kaarten. De regels van hun spel waren ooit duidelijk geweest, maar nu veranderden ze elke vijf minuten.

“Als je een zeven legt, moet je een berggeluid maken,” zei Milan.

“Wat is een berggeluid?” vroeg Bram.

Milan dacht na en maakte toen een geluid dat klonk als een koe die een geheim vertelde. Bram proestte.

Een meisje van een andere tafel keek op. “Dat is geen berggeluid. Dat is een gekke koe.”

“Dat is precies wat bergen doen,” zei Milan plechtig. “Ze verstoppen gekke koeien.”

Het meisje lachte en kwam dichterbij. “Mag ik meedoen?”

Bram voelde een kleine aarzeling. Nieuwe mensen waren leuk, maar ook spannend. Je moet hallo zeggen, en later weer dag. En Bram was gevoelig voor afscheid; hij wist dat al. Zijn keel werd soms ineens dik, zonder waarschuwing.

“Ja,” zei hij toch. “Maar we spelen rustig. Het is vakantie.”

Ze speelden met z'n drieën. Het meisje heette Noor en was ook twaalf. Ze vertelde dat ze met haar tante liep en dat ze altijd bang was om de weg kwijt te raken, zelfs met een kaart.

“Mijn hoofd maakt soms doemfilms, zei Noor.

Milan knikte. “Die van mij ook. Alleen spelen ze soms in de bus.”

Bram luisterde en voelde iets bijzonders: hij was niet de enige met rare gevoelens die op onhandige momenten opduiken.

Later, toen Noor weer naar haar tafel ging, bleef Bram naar de kaarten kijken. “Ik vind het al een beetje jammer dat ze straks weg is,” zei hij.

Milan legde een kaart neer. “Maar ze is nu hier geweest. Dat is ook iets.”

Bram dacht aan de pauzeknop. Aan play. Aan hoe je niet alles hoeft vast te houden om het echt te hebben.

's Avonds stopte de regen en kwam er een geur van nat gras en schone stenen naar binnen. Bram stond bij de deur van de hut en luisterde. De bergen drupten nog na. Alles leek langzaam.

Hij voelde zich, heel even, precies op de juiste plek.

Hoofdstuk 6

De laatste dag in de bergen kwam sneller dan Bram wilde. De lucht was helder, bijna knisperend. Ze pakten hun rugzakken in. Bram vouwde zijn trui extra netjes, alsof dat kon helpen.

Milan floot zacht terwijl hij zijn wandelstok in zijn tas probeerde te proppen. “Hij past niet. Hij is te officieel.”

“Laat hem dan achter voor de volgende berggids,” zei Bram.

Milan keek naar de stok en knikte. “Oké. Maar dan wel met een ceremonie.”

Ze liepen naar buiten en legden de stok naast de deur, tegen de muur. Milan zette zijn hand erop alsof hij afscheid nam van een huisdier.

“Dank u voor uw diensten,” zei hij ernstig.

Bram lachte, maar hij voelde ook die bekende trek in zijn borst. Het afscheid kwam eraan, als een wolk die je al van ver ziet.

Zijn moeder keek hem aan. “Je bent stil.”

Bram schraapte zijn keel. “Ik wil niet dat het stopt.”

Zijn vader legde een hand op zijn schouder. “Dat snap ik. Maar stoppen is niet hetzelfde als weggooien. Je neemt het mee.”

Bram dacht aan de soepgeur, de koude beek, Milans opgeluchte gezicht toen ze het tempo aanpasten. Hij dacht aan Noor en de doemfilms in je hoofd. Aan de pauzeknop.

In de bus naar beneden zat Milan weer voorin. Bram naast hem. De bochten waren er nog, de rotsen ook. Maar Bram voelde minder spanning.

“Als we thuis zijn,” zei Milan, “gaan we toch weer naar het zwembad? En ijs eten dat langzaam smelt?”

Bram knikte. “Langzaam.”

Milan leunde tegen de stoel. “En als jij weer verdrietig wordt bij afscheid, zeg je het gewoon. Dan doen we niet alsof het er niet is.”

Bram keek uit het raam. De hut verdween achter bomen, achter een bocht, achter afstand. Het deed pijn, maar niet scherp. Meer als een zachte druk die zei: dit was belangrijk.

“Oké,” zei Bram. “En als jij je niet goed voelt, veranderen we het spel. Altijd.”

Milan glimlachte. “Deal.”

Thuis, later die avond, rook het huis vertrouwd: wasmiddel, houten trap, tomatensaus. Bram zette zijn rugzak neer. Hij voelde zich moe, maar rustig.

Voor het slapengaan opende hij het raam. De lucht was warmer dan in de bergen. Hij hoorde een verre brommer, een hond die één keer blafte.

Bram dacht aan de bergen die nu “pauze” stonden in zijn hoofd, klaar om weer op play te gaan. Hij legde zijn hand op de vensterbank en ademde langzaam.

Het was zomer. De dagen zouden nog komen. En hij hoefde ze niet vast te grijpen om ze te voelen.

Zonder advertenties 3€ per maand

Wilt u ononderbroken lezen? Steun Oh My Tales, verwijder alle advertenties en geniet van andere inbegrepen voordelen vanaf 3€ per maand.

Bekijk de plannen en tarieven
Delen

rapporteer een probleem met dit verhaal

Wat vond je van dit verhaal?

Geef uw mening door een beoordeling te geven aan dit verhaal op basis van wat u en/of uw kind ervan vonden. Bij voorbaat dank!

Dank je wel! Uw beoordeling is in behandeling genomen!

De quiz: heb je het verhaal goed begrepen?

Kriebelde
Een licht prikkelend gevoel in je buik of op je huid, alsof iets zachtjes beweegt.
Perron
De plek bij een station waar mensen wachten om in of uit een trein te stappen.
Berghutje
Een klein houten huisje in de bergen waar wandelaars uitrusten of slapen.
Kronkelde
Ging in bochten en slingerde, zoals een weg die niet recht is.
Hars
Plakkerige, geurige stof die uit bomen komt en hard kan worden.
Slaapzaal
Een grote kamer met meerdere bedden, vaak in een hut of hostel.
Pauzeknop
Een denkbeeldige knop om even te stoppen en later verder te gaan.
“de berglus”
Een extra lus in je veters om je schoen steviger te laten zitten.
Doemfilms
Verdachte, enge gedachten die je hoofd als een film laat zien.
Knetteren
Het scherpe, pruttelende geluid dat iets maakt, zoals kaarsen of een vuur.

Creëer een magisch en uniek verhaal voor uw kind!

Creëer in slechts een paar minuten een gepersonaliseerd avontuur waarin uw kind de held wordt. Met onze exclusieve tool is het gemakkelijk, gratis en leuk!

Een verhaal creëren

Onderwerpen gerelateerd aan dit verhaal:

vriendschap vriend natuur empathie vertrouwen berg vakantie

Download dit verhaal:

Download dit verhaal als PDF Download het e-book (.epub)

Ontvang elke zondagavond nieuwe verhalen!

Ontvang 7 spannende en boeiende verhalen, afgestemd op de leeftijd en smaken van uw kind, elke zondag om 17:00*. Het is gratis en gegarandeerd zonder spam!
*E-mail verzonden om 17:00 uur Midden-Europese Tijd (CET).
We houden ook niet van spam. Daarom sturen we alleen verhalen. U kunt zich op elk gewenst moment afmelden.