De eerste ochtendzon
Mila werd wakker doordat een zacht straaltje zon op haar wang viel. Het was de eerste dag na een lange winter waarin ze de vogels weer hoorde zingen. Ze rolde haar knuffelbeer Knor naast zich en luisterde goed. “Tsjilp-tsjilp,” floot er eentje. “Wat klinkt dat vrolijk!” fluisterde Mila. Ze sprong uit bed, trok haar favoriete oranje jurk aan en keek uit het raam. In de tuin zag ze groene puntjes boven de aarde uitsteken. “De bloemen worden wakker,” zei ze blij.
Na het ontbijt liep Mila met haar moeder naar buiten. De lucht rook fris en een beetje zoet. Op de stoep zag Mila haar beste vriendin Noor al staan, met haar gele laarsjes en een grote glimlach. “De lente is er!” riep Noor. Even later kwam ook Samira aanrennen, haar haren dansten in de wind. Ze lachten samen en Noor stelde voor: “Laten we naar de tramhalte wandelen, misschien zien we wel lammetjes in het park!”
De drie meisjes huppelden over het stoepje, hand in hand. Ze voelden de warme zon op hun wangen en luisterden naar het zachte ruisen van de bomen. Hier en daar stond een plasje van de regen van gisteren; Mila sprong er met haar voetjes in en spatte water op Samira's broek. “Wat voel je je vandaag vrolijk,” zei Samira lachend.
Onderweg zagen ze een eekhoorntje snel over een tak rennen. “Kijk!” fluisterde Noor. Ze bleven staan en keken hoe het diertje noten zocht tussen de bladeren. Overal voelden ze het: de lente was begonnen.
Bloemen langs het tramspoor
Toen ze bij de tramhalte kwamen, viel het Mila op hoe mooi het daar was. Aan beide kanten van het spoor groeiden tientallen gele, witte en paarse bloemen. De bomen langs de halte waren nog een beetje kaal, maar aan de takken verschenen kleine groene knopjes.
“Wat ruikt het hier lekker!” zei Samira. Ze bukte om te kijken naar een tulp die net open was gegaan. Noor wees naar een bijtje dat van bloem tot bloem fladderde. “Die is vast net zo blij met de lente als wij,” zei ze.
Mila wilde graag bloemen meenemen voor haar oma, die ziek was. Ze dacht aan hoeveel oma van bloemen hield. “Zullen we een paar plukken?” vroeg ze zacht. Noor keek even naar de bloemen en toen naar de bij. “Als we alles plukken, heeft het bijtje niks meer om te eten,” zei ze.
Ze werden even stil. Samira zei: “Misschien kunnen we er eentje kiezen, en de rest laten staan. Dan kunnen de bloemen blijven groeien en de bijen blijven vliegen.”
Samen keken ze welke bloem het meest opviel. Mila koos een bloemetje dat een beetje scheef stond en bijna werd vertrapt door voetstappen. Ze plukte hem voorzichtig. De rest van de bloemen lieten ze staan. De lucht was warm en zacht. Ze voelden zich trots dat ze samen een oplossing hadden gevonden.
Aan de overkant van de straat zwaaide een oude meneer naar hen. “Goedemorgen, meisjes!” riep hij. “Wat zijn jullie vroeg op pad.” Noor vertelde enthousiast over hun wandeling en over de bloemen. De meneer glimlachte en zei: “De lente is het mooiste als je goed kijkt en lief bent voor alles wat groeit en bloeit.”
De tramtijd en kleine verrassingen
De tram kwam langzaam aanrijden, zijn bel luidde zachtjes. Samen gingen ze op het bankje zitten, onder de bomen. De wind blies een paar losse bloesemblaadjes over hun schoenen. Samira hield haar ogen dicht en zei: “Luister, hoor je hoe de tram zoemt? En de vogels fluiten erbij.” Ze luisterden aandachtig. Mila voelde een kriebel in haar buik. Alles klonk zo vrolijk samen!
Toen de tram stopte, stapte een mevrouw uit met een grote blauwe hoed. Ze glimlachte naar de meisjes en zei: “Wat een mooie bloem heb jij daar.” Mila vertelde trots dat het voor haar oma was en dat ze de andere bloemen hadden laten staan voor de bijen. De mevrouw knikte goedkeurend. “Wat zijn jullie zorgzaam. De natuur heeft vriendjes nodig, net als wij.”
De meisjes keken elkaar blij aan. “Als we allemaal een beetje helpen, kan iedereen genieten van de lente,” zei Noor. Samira keek omhoog en zag een vogeltje landen op een tak. “Zullen we straks aan onze klas vertellen hoe belangrijk bloemen zijn voor de dieren?” Mila vond dat een goed idee.
Terwijl ze wachtten op de tram terug, speelden ze een spelletje. Om de beurt moesten ze een geluid van de lente nadoen. Noor deed een fluitende vogel na, Samira zoemde als een bij, en Mila probeerde het zachte geluid van de wind te maken. Ze lachten om elkaars geluidjes.
Bij oma thuis
Na een tijdje namen ze afscheid van elkaar. Mila liep met haar moeder naar oma's huis. Onderweg voelde ze het zachte bloemetje in haar hand. “Wat ruikt hij lekker,” zei ze tegen haar moeder. “En ik ben blij dat de bijen de andere bloemen nog hebben.”
Bij oma thuis was het warm. Mila gaf haar het bloemetje. Oma's ogen straalden van blijdschap. “Dankjewel, lieve schat. Heb je hem zelf geplukt?” vroeg ze. Mila knikte en vertelde trots dat ze de andere bloemen had laten staan. “Dat is heel lief van je,” zei oma. “De natuur is voor iedereen.”
Samen zetten ze het bloemetje in een klein vaasje bij het raam. Vanuit de stoel kon oma precies zien hoe de zonnestralen op het vaasje vielen. “Elke dag zie ik de lente groeien,” zei oma zacht.
Mila ging bij oma op schoot zitten. Ze luisterden naar de geluiden van buiten: een vogeltje dat zong, het zachte ruisen van de bomen, de bel van een tram in de verte. Mila voelde zich rustig en gelukkig.
“Wat is de lente mooi,” fluisterde ze. Oma gaf haar een knuffel. “En nog mooier als je hem deelt.”
Mila dacht terug aan haar ochtend met Noor en Samira. Ze voelde zich trots en blij, want samen hadden ze niet alleen genoten van de bloemen, maar ook gezorgd dat de bijen en de mensen om hen heen konden meegenieten.
In haar hoofd hoorde Mila de woorden van de oude meneer bij de tramhalte: “De lente is het mooiste als je goed kijkt en lief bent voor alles wat groeit en bloeit.” Dat zou ze nooit meer vergeten.
Daar, in het zachte licht van de lente, viel Mila bijna in slaap, terwijl ze droomde van bloemen, bijen en nog veel meer zonnige dagen samen.