Meneer Bram krabde aan zijn kin en keek naar zijn ontbijt. Zijn boterham met jam glimde. Zijn lepel tikte tegen zijn kom. En zijn thee zei bijna “plop” met elk bubbelbelletje.
“Vandaag maak ik iets heel belangrijks,” zei Bram zacht. “Een Lach-Helm. Een helm die je helpt lachen als je een beetje slaperig bent.”
Hij tekende het meteen in zijn uitvinderschrift. Een ronde helm, een grote rode knop bovenop, en twee zachte kussentjes bij de oren. “De kussentjes kietelen niet,” mompelde Bram. “Ze doen alleen vriendelijk ‘hihi'.”
Zijn kat Piep sprong op de stoel. Piep keek naar het potlood. Piep keek naar Bram. Piep zei: “Miauw.” Dat klonk als: doe maar rustig.
Bram liep naar zijn werktafel in de keuken. Daar lagen een fietshelm, elastiekjes, een oude bel van een kinderfiets, en een rolletje plakband dat overal al een beetje aan vastzat.
“Stap één,” zei Bram. “Ik zet de bel erop. Dan kan de helm ‘ding' doen. Ding is ook leuk.”
Hij plakte, hij duwde, hij plakte nog eens. De bel zat scheef, maar wel stevig. Bram zette de helm op zijn hoofd en drukte op de rode knop. Hij had nog geen rode knop, dus hij gebruikte een tomaat.
“Tomaat-knop klaar,” zei Bram trots.
Hij drukte. De bel ging: “Ding!” En de tomaat ging: “Splets.”
Een klein rood streepje jam—nee, tomaat—gleed langs Brams neus.
Piep keek hem aan. Piep knipperde langzaam. Toen deed Piep: “Mrrp.” Dat klonk precies als een lachje.
Bram lachte ook. “Zie je wel! Het werkt al een beetje!”
“Stap twee,” zei Bram. “De Lach-Fluitjes.”
Hij pakte twee rietjes en twee dopjes van flesjes. Hij stak de rietjes in de dopjes. Hij blies.
“Pfffft,” deed het rietje. “Pfffft,” deed het andere rietje.
“Dat is geen lach,” zei Bram. “Dat is een slappe pannenkoek.”
Hij keek rond. Op het aanrecht stond een bakje met piepkleine pasta, van die schelpjes. Bram kreeg een idee.
“Schelpjes maken geluid,” fluisterde hij. “Als je ze goed schudt.”
Hij stopte pasta-schelpjes in de dopjes. Hij blies opnieuw.
“Trtrtr,” deed het eerste fluitje. “Trtrtr,” deed het tweede.
Bram grinnikte. “Het klinkt alsof een eendje kietelvoetjes heeft!”
Hij plakte de fluitjes aan de zijkant van de helm. Hij zette hem weer op. Piep sprong nu op de tafel, heel nieuwsgierig.
“Oké,” zei Bram. “Test!”
Bram draaide zijn hoofd naar links. “Trtrtr.” Naar rechts. “Trtrtr.” Hij knikte. “Ding!”
Bram begon te lachen. Het was een klein lachje. Toen werd het een groter lachje. Want elke keer als hij bewoog, klonk er weer een vrolijke “trtrtr” en soms een “ding.”
Maar toen… toen kreeg de helm wel heel veel zin om te helpen.
Bram bukte om een elastiekje op te rapen. “Trtrtrtrtrtr!” Hij stond op. “Ding!” Hij draaide zich om. “Trtrtr!”
Het klonk alsof de keuken een feestje gaf.
Piep schrok niet. Piep vond het juist leuk. Piep sprong op en neer. Bij elke sprong tikte Piep met zijn pootje tegen de helm die op de stoel lag.
“Ding! Trtrtr! Ding!”
Bram hield zijn buik vast. “Hoho! Rustig, helm! Mijn wangen worden moe!”
Hij zette de helm snel op de tafel en legde er een theedoek overheen, als een dekentje. “Sssst,” fluisterde hij. “Even uitrusten.”
De geluiden werden zacht. “Tr… tr…” en toen niets meer.
Bram pakte zijn uitvinderschrift en schreef met grote letters: LACH-HELM, VERSIE 1.0.
Daaronder schreef hij: TE VEEL LACH. OOK LEUK.
Piep kwam tegen Brams been aan wrijven. Bram aaide Piep. “Jij was een goede test-assistent,” zei hij. “Morgen maak ik een Lach-Helm met een rustige stand.”
Hij keek naar de tomaatvlek op zijn neus in de spiegel. “En misschien een knop die niet kan pletten.”
Bram maakte een sopje en veegde de tafel schoon. De pasta-schelpjes rolde hij terug in het bakje. “Schelpjes gaan slapen,” zei hij.
De keuken werd weer rustig. Alleen de thee zei nog één keer zacht: “Plop.”
Bram zette de helm op een plank, met het theedoek-dekentje er nog omheen. “Slaap lekker, helm,” fluisterde hij.
Piep ging op de stoel liggen, opgerold als een warme donut. Bram ging ernaast zitten met zijn schrift op schoot. Hij tekende een klein maantje boven de helm.
“Vandaag hebben we veel gelachen,” zei Bram. “Dat is precies goed.”
En zo werd het een kalme avond, met zachte ogen, een tevreden kat, en een uitvinder die nog steeds een klein “hihi” in zijn hart voelde.